Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snokken - (rukken, snikken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snokken* [rukken, snikken] {snocken [snikken] 1599; als ‘rukken’ 1784-1785} nevenvorm van snikken en snakken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snokken ww. (zuidnl.) ‘rukken, trekken’ maar ook ‘snikken’, mnd. snucken, fri. snokke, reeds mnl. znw. snoc, snuc. Het woord behoort tot de groep van snikken en doelt dus eigenlijk op de schokkende bewegingen bij het snikken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snokken o. en ono.w., ablaut bij snakken en snikken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut