Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snoet - (snuit, bek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snoet zn. ‘snuit, bek’
Vnnl. snoet ‘bek, mond, voorkant van het gezicht’ in de samenstelling snoetdoecken ‘doekjes voor het afvegen van de mond’ [1665; iWNT voorschoot]; nnl. Zwyg ... of je krygt een konkel voor je Snoet [1722; iWNT konkel I], snoet ‘vooruitstekend deel van de kop van een dier’ [1779; iWNT], een aardig snoetje [1841; iWNT].
Nevenvorm van → snuit. Het oudere woord snuit heeft meestal betrekking op dieren, terwijl snoet gebruikt wordt voor personen, en vaak zelfs een uitgesproken liefkozend karakter heeft. Herkomst uit een Oost-Nederlands dialect waarin pgm. *-ū- bewaard is gebleven als -oe- in plaats van standaardtalig -ui- of -uu- (voor een -r), zoals → stoer naast → stuurs is mogelijk, hoewel de oudste vindplaatsen geenszins uit zo'n dialectgebied afkomstig zijn. Het kan ook een Hollands dialectrelict zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snoet* [vooruitspringend deel van kop] {1784-1785} nevenvorm van snuit1, waarbij in snoet de oorspronkelijke oe bewaard is gebleven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snoet znw. m., eerst na Kiliaen, een uit oostelijke dialecten overgenomen bijvorm van snuit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snoet znw., nog niet bij Kil. Met dial. oe < û (vgl. snoes, smoel) = snuit. — Evenzoo is ’t ww. snoeven (sedert Kil.) = snuiven. Kil. vermeldt beide vormen in gelijke bet.: “ademen, snuiven”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snoet, is eerder ontlening uit het Oosten dan oe-relictwoord (zie kroes II Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snoet m., = snuit, met dial. oe voor û, ui.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snoet: bek, mond; neus; Ndl. snoet (eint. dial. v. snuit – Kil het snuyte, maar nog nie snoete nie); oor wisg. oe/ui v. smoel; Hd. schnauze, Eng. snout, hou verb. m. Ndl. snuiten, “neus blaas”, Hd. schneuzen, Eng. snotty, “neusoptrekkerig, parmantig”, en Ndl./Afr. snot (q.v.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snoet ‘vooruitspringend deel van kop’ -> Duits Schnute ‘lelijk of zuur gezicht trekken’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snoet* vooruitspringend deel van kop 1784-1785 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal