Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snoeshaan - (snuiter)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snoeshaan zn. ‘snuiter’
Vnnl. snoeshaen ‘opschepper, losbandig persoon’ in 't Was ... sucken Snoeshaen ‘het was zo'n opschepper’ [1612; iWNT], ‘wonderlijk persoon, zonderling’ in een vreemd snoeshaen [1618; iWNT].
Via Nederduits snūshān ‘bluffer, praler’ ontleend aan Hoogduits Schnauzhahn ‘id.’ [1590; Grimm] en ‘kalkoen’ [1740; Grimm], samengesteld uit Schnauze ‘snuit’, zie → snuit, en Hahn ‘haan’, zie → haan. De betekenis ‘kalkoen’ zou de oorspronkelijke zijn (Grimm), naar aanleiding van de opvallende kopvorm van de kalkoen. Hoogduits Schnauzhahn is tegenwoordig in beide betekenissen verouderd.
Evenzo ontleend aan het Nederduits is Zweeds (vero.) snushane, ouder snusshaan [1629; SAOB].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snoeshaan [snuiter] {1617} < nederduits snushahn, hoogduits Schnauzhahn [kalkoense haan], genoemd dus naar zijn snuit, vgl. rare ‘snuiter’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

snoeshaan

Snoeshaan is een uit het Duits overgenomen woord. In die taal luidt het Schnauzhahn en de betekenis is: kalkoense haan, eigenlijk: haan met een snoet of snuit of snoes. Want ons woord snoes in de zin van: lieftallig persoontje is hetzelfde woord als snuit en snoet. De beide laatste woorden worden eveneens als liefkozende termen gebruikt. Ook is de onderstelling geopperd dat snoeshaan een verbastering zou zijn van soesoehoenan, de titel van de vorst van Soerakarta. Overdrachtelijk was een snoeshaan in vroeger tijd een man die luidruchtig optreedt, een opschepper. Ook in de betekenis: pronker, praler kwam het woord voor. Thans wordt het eigenlijk alleen nog gebruikt in verbinding met het woord vreemd in de betekenissen: iemand die zich wonderlijk gedraagt, die men niet verstaat, die men ongaarne ziet, ongeveer hetzelfde als: rare sinjeur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snoeshaan znw. m., sedert de 17de eeuw, nnd. snūshān (> noorw. nde. snushane, nzw. snushane reeds 1629), nhd. schnauzhahn ‘kalkoense haan’ (dus genoemd naar zijn snoet) en vandaar ‘pralend mens’. Het nnl. woord zal wel uit het nnd. zijn overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snoeshaan znw., sedert de 17. eeuw. Ook ndd. fri. en door ontl. de. en zw. Oorspr., zooals nog in ’t Ndd.: “wijsneus, snuffelaar”. Van snoes “snuit” of van het daarvan afgeleide ww. snoezen “snuffelen”, waarvan Kil. snoesteren, snuysteren “snoepen”, ndd. snusseln “snuffelen”, de. snuse, zw. snusa “snuiven (tabak)”. Zie snuisterij.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snoeshaan. Wegens de oudere bet. ‘bluffer, pronker, praler’, wellicht naar hd. schnauzhahn, ospr. = ‘kalkoense haan’ en onder invloed van snoes of verwanten daarvan vervormd. -- Het hier genoemde ww. snoezen ‘snuffelen’ is mij niet bekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snoeshaan m., met snoes = snuit: zooveel als neuswijze.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

snoeshaan: (meestal voorafgegaan door rare of vreemde) vreemde snuiter; pocher, snoever. Het woord werd reeds teruggevonden in 1590. Volgens sommige bronnen een verbastering van het Indonesische soesoehoenan (een titel). Eerder moet worden gedacht aan het Hoogduitse Schnautzhahn (snuithaan of kalkoense haan met een rare snuit).

Jaap, wie zyn die Snoeshanen, met die twee Nufjes daar? (Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, 1782)
Ze vonden het ’n flauwen streek om ‘ouwe vrinden’ in den steek te laten voor zoo’n vreemden snoeshaan… (J.B. Schuil, De A.F.C.-ers, 1915)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

snoeshaan (Nederduits snūshān)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Snoeshaan, ’t Eerste lid is verwant met ons snoet = neus, vgl. de oude schrijfwijze snoetshaan en snoedshaan; zoo was afsnoezen voorheen: afneuzen, vgl. „Sy heeft u doen al af ghesnoest”: zij heeft u doen en laten afgeneusd”. Snoesen in snoeshaan wil zeggen: door den neus blazen, pochen, evenals snoeven (voor snuiven); en haan versterkt de bet. van trotschheid: stappen als een haan. Vgl. nog bij Bredero: „Die gisteren soo vermeetel snoste” (= pochte).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snoeshaan ‘snuiter’ -> Deens snushane ‘nieuwsgierig persoon (vaak gezegd over politieagenten, douaniers etc.)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors snushane ‘nieuwsgierig persoon’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snoeshaan snuiter 1617 [Toll.] <Nederduits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2094. Een snoeshaan.

Een vreemde, rare snoeshaan is een vreemde snuiter, een malle vent, een kwibus; nd. snûshân, wijsneus; fri. snoeshoanne. Het woord komt in de 17de eeuw herhaalde malen voor en beteekent wellicht eig. iemand die overal met zijn neus bij is, een snuffelaar, een oude snoeper, een rare snuiter, een kwibus. Het eerste deel van dit woord moet dan worden opgevat in den zin van neus, snuit (vgl. dial. duitsch schnüss); vgl. den ook voorkomenden vorm snoetshaan en onze uitdr. ‘een snoes van een kind’ met ‘een lief bekje’, ‘een lief snoetje’ (fri. snutsje; dial. hd. schnute, schnutchen); snoezig naast snuitig, enz.Grimm IX, 1212; Franck-v. Wijk, 634; Noord en Zuid XXV, 269 en vooral De Jager, Frequ. II, 594-595 In de 17de eeuw komt het voor in den zin van iemand die snoest, snuffelt, snoept; dus een snoeper, iemand die naar mingenot haakt, een snuffer (Hoeufft, 559); zie Hooft, Warenar, vs. 958; De Gemeenzame Geest (anno 1679), bl. 5; vgl. Frequ. II, 594 en het de snuushane, einer der überal umherstöbert. Later wordt ook de vorm snoefshaan aangetroffen, die door de gedachte aan snoeven, snuiven, rondsnuffelen, is te verklaren. en nuf, eig. neus, fijne neus, iemand met een fijnen neus (ndd. nüff, neus, snuit; oostfri. nüf (snüf) ndd. nif, pedante persoon (Franck-v. Wijk, 464).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut