Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snoer - (koord, draad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snoer zn. ‘koord’
Mnl. snoer ‘(dun) koord’ in van snoeren ende van syde in die banieren xliij d ‘voor koorden en zijde voor de vlaggen 43 penningen’ [1286; VMNW].
Ablautend verwant met → snaar.
Mnd. snōr; ohd. snuor (nhd. Schnur); ofri. snōr(e) (nfri. snoer); nno. snor; alle ‘koord’, < pgm. *snōrō-. Daarnaast staan de afleidingen on. snøri ‘koord, touwwerk’ (nzw. snöre) < pgm. *snōrija- en oe. snēr ‘harpsnaar’ en got. snōrjō ‘korf’ < pgm. *snōrijō(n)-.
Verdere herkomst onduidelijk. Volgens Bjorvand/Lindeman is de stam pgm. *snōr- op te vatten als afleiding van de wortel *snō- ‘winden, draaien’ van on. snúa ‘id.’ (nzw. sno), en is deze weer door metanalyse terug te voeren op een nasaalpresensstam bij de wortel pie. *sh2ei- ‘(vast)binden’ (LIV 544), waarbij verder o.a. horen: Sanskrit sinā́ti ‘bindt vast’; Lets sìet (1e pers. ev. sìenu) ‘binden’; Hittitisch ishiyanzi ‘(vast)binden’. Zie ook → zeel, → zenuw en → zijde.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snoer1* [koord, draad] {snoer, snoir 1286} middelnederduits snōr, oudhoogduits snuor, oudnoors snœri, gotisch snōrjō [gevlochten korf]; ablautend bij snaar3. In de snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen betekent snoer ‘meetsnoer’. De uitdrukking is ontleend aan psalm 16:6 en betekent: dat het voor mij afgemeten stuk op liefelijke plaatsen ligt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snoer 2 znw. o., mnl. snoer, mnd. snōr m. snōre v., ohd. snuor (nhd. schnur), nde. nnoorw. snōr v. ‘snoer, band’. Daarvan afgeleid oe. snēr v. ‘snaar’, on. snœri o. ‘strik, touw’, got. snōrjō ‘gevlochten korf’. — Deze woorden staan abl. naast snaar, maar terwijl dit laatste uit een *snarhōn ontstaan is, gaat snoer terug op de wortel zonder gutturaal-suffix en staat dan naast on. nāri ‘lenden’, eig. ‘het ingesnoerde deel van het lichaam’ van de idg. wt. *(s)ner ‘draaien, winden; samensnoeren’ (IEW 975-977, die opmerkelijk genoeg de verbinding van snoer met deze wt. alleen maar waarschijnlijk vindt (ondanks got. snōrjō!), maar snaar zonder meer aan de afl. *(s)nerk aanknoopt). — > amerik.-eng. snore (vgl. J. E. Neumann JEGPh 44, 1945, 275); > russ. šnur (vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 87).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snaar I (koord), mnl. snāre, snaer v. “snaar”. = mnd. snāre v. “snaar” (snar o.? os. snári “fidiculas”, snárion “fidibus”), ags. snearu v. (eng. snare) “strik”, on. snara v. “id., strop”. Met opvallende vocaal Roermondsch šnaor (Roerm. ao < â, ā < ă). Met ablaut snoer o., mnl. snoer m. o., ohd. snuor (nhd. schnur) v., mnd. snôr m. (snôre v.), noorw. snôr v. “snoer, koord, band,” waarbij ags. snêr v. “snaar”, on. snø̂ri o. “snoer, koord”, got. snorjo v. “korf”. Verwant met naaien. Met ’t oog op gr. neurá, neūron, av. snâvarǝ (: oi. snâvan-) “pees”, waarvoor men terecht van grondvormen met snê-w-(e)r- (: snêrw- in lat. nervus “pees”?) uitgaat, heeft men de germ. ô van snoer uit ôu willen verklaren, veeleer echter moeten we voor snaar en snoer idg. snō̆-r- aannemen; men combineert nog lit. naraũ, -ýti “een strik maken”, nírti “zich slingeren”, neriù, nérti “een draad insteken”, waarbij zich nog lat. nervus “pees” kan aansluiten, — en (wegens de bet. niet wsch.) pehlevi vînârdan “saṃghaṭayitum, vinirmâtum, sammârṣṭum”, gabrî penârtmûn “grijpen, pakken”, afnûrdan “nemen”. [Niet hierbij zenuw; wel nog on. snûa “winden, wenden”.] Er is geen reden om voor snaar van germ. *snarχô(n)- inplaats van *snarô(n)- uit te gaan en dat met gr. nárkē “het stijf worden, verlamming”, arm. nergev “dun, slank, mager” te combineeren. Ohd. snërchan “binden, knoopen, slingeren”, snarahha v. “strik, net”, die men in dit verband pleegt te citeeren, hebben geen germ. χ, maar k; ze zijn niet van snaar en snoer te scheiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snoer o., Mnl. id. + Ohd. snuor (Mhd. id., Nhd. schnur), Ags. snér, On. snø'ri, Go. snorjo (= gevlochten korf): abl. bij snaar; z.d.w. en naaien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snoer: s.nw. en ww., string (bv. krale, visse, ens., as s.nw.); in ’n string inryg, vasbind; laat swyg; Ndl. snoer (Mnl. snoer), “band”, hou verb. m. snaar (v. snaar II), Hd. schnur; hierby ww. Ndl. snoeren (16e eeu), Afr. snoer in bet. “laat swyg”, reeds Mnl. in alg. bet. “inryg; vasbind”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snoer ‘koord, draad’ -> Deens snor ‘koord, draad’ (uit Nederlands of Nederduits);? Noors snor ‘koord, draad’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests nöör ‘koord, draad’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools sznur ‘koord, draad’ (uit Nederlands of Duits); Russisch snur ‘koord, draad’; Oekraïens snur ‘koord, draad’ ; Indonesisch senur, snur ‘koord, draad, kabel’; Menadonees snur ‘koord, draad’; Amerikaans-Engels snore ‘touwtje om mee te tollen’; Papiaments † snoer ‘koord, draad’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snoer* koord, draad 1286 [CG I2, 1161]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

82. Iemand aan zijn angel krijgen.

Een angel is een vischhaak, waaraan men aas doet om de visch te verlokken er in te bijten en ze zoo te vangen. Figuurlijk wordt deze uitdr. gezegd van menschen: door een lokaas, dat men hun aanbiedt, in zijn macht krijgen; eng. to hook one; to keep one on the hook(s). Men zegt dan, dat zij aan den angel bijten, vastraken, enz.; Ndl. Wdb. II1, 450. Zoo lezen wij bij Vondel, X, 393:

 Zoo een van beide zich aan deze vrucht vertast,

 Geraeckenze alle beide aen mijnen angel vast.Vgl. ook de fri. uitdr. hwa hest nou oan 'e angel? wie hebt ge thans aan het lijntje? welk meisje hebt ge aan de hand?W. Dijkstra, 212; Fri. Wdb. I, 48 b.; hd. die Angel nach etwas, nach jem. auswerfen; fr. jeter le grapin sur qqc. - Hengelen naar een man; visschen naar een complimentje (vgl. eng. to hook, angle, fish for compliments); iemand aan den haak slaan (vooral van meisjes, die een vrijer hebben opgedaan; fr. accrocher un mari); iemand aan zijn snoer krijgen.

1411. Iemand aan het lijntje hebben (- houden of krijgen),

d.w.z. iemand in zijne macht hebben, houden, of krijgen, op zijne hand hebben, tot zijne partij overhalen; vroeger ook: iemand aan zijn (of een) snoer hebben of krijgen; iemand aansnoeren (Ndl. Wdb. I, 328; 17de eeuw: iemand aan zijn koord krijgen; aan zijn ling (?Gewestelijke vorm van leng, strop van touw, dien men om een last slaat om dezen op te hijschen?) hebben (Lichte Wigger, 6, r); in Twente: eenen an 't töwken hebben; fr. tenir qqn en laisse; hd. jemanden am Faden, an der Schnure, am Schnürchen, an der Leine haben. Hoogstwaarschijnlijk moet lijntje hier worden opgevat in den zin van lang touw, waaraan bijv. een paard loopt. Zie Hooft, Ned. Hist. 25; Tuinman I, 296: Hij heeft hem beet, hij heeft hem vast, of aan 't lijntje; Halma, 319: Iemand aan zijne lijn of aan zijne zijde krijgen, mettre quelqu'un dans son partie; De Arbeid, 18 April 1914, p. 4 k. 2: De Heeren doen alsof zij de ministers aan 't lijntje hebben, ofschoon het precies anders om is; 11 Maart, p. 4 k. 1: De heeren patroons dachten de confectieslaven hiermede aan de lijn te houden; Sjof. 113: Ze zouën 'm thuis goed oppassen, ze zouën 'm wel aan 't lijntje houën; Nkr. V, 2 April p. 6: Arbeiders hou je aan 't lijntje heel hun leven, maar aan de patroons moet je wat toe weten te geven; Schoolm. 216: Zoo laat gij zelfs het kloekste brein wanneer 't u lust aan 't lijntje loopen. Syn. is iemand aan 't touwtje hebben (o.a. in Nkr. VII, 26 Juli p. 2); vgl. no. 596; fri. ien oan 't snoer ha, aan 't lijntje hebben.

2093. Mijne snoeren zijn in liefelijke plaatsen gevallen,

d.w.z. een goed lot is mij ten deel gevallen; voorspoed en geluk is mijn deel; ook wel gebezigd om te kennen te geven, dat men in een aangenamen kring of aan een welvoorzienen disch mocht plaats nemen. De zegswijze is ontleend aan Psalm 16, vs. 6: De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja, een schoone erfenis is mij gewordenFunes ceciderunt mihi in praeclaris, etenim hereditas mea praeclara erat mihi; mnl. die repen vielen mi in claerheden ende mijn erve is mi seer claer (zie Mnl. Wdb. VI, 1174).. - In den Bijbel komt snoer meermalen voor als een werktuig om mede te meten, om akkers of landerijen in afgemeten deelen te splitsen. Vandaar dat deze zegswijze eig. beteekent ‘het met het meetsnoer voor mij afgebakende deel ligt in liefelijke plaatsen. Het werkwoord vallen doet denken aan het lot als middel der toewijzing, hetwelk zeker vaak bij eene verdeeling aangewend werd, waardoor de voorstelling is ontstaan, dat Kanaän door het lot onder de Israëlietische stammen verdeeld is’; zie Zeeman, 412 en Leidsche Bijbel II, 98. Vgl. Harreb. II, 187; Huygens, Zeestraet, 65:

 K heb jong en achteloos, nu menigh jaer geleden,
 Soo t Kalf treedt in de Weij, all daer ick tré getreden.
 Maer sonder gae te slaen in wat een Paradijs
 Myn snoer gevallen was.

De Genestet II, 10:

 O lusthof mijner ziele,
 Goed plekje mij zoo waard,
 Hoe wèl mijn snoeren vielen
 Ginds bij mijn hof en haard, enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut