Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snoep - (snoepgoed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snoepen ww. ‘lekkernijen eten’
Vnnl. eerst de afleiding snoeperij ‘lekkernijen’ in Daer stonden cramen van allerley snoeperye en bancket suycker [1565; iWNT wijn], dan snoepen ‘in het geheim lekkernijen eten’ [1573; Thes.], ‘lekkernijen eten’ [1588; Kil.], ook ‘heimelijk of ongeoorloofd de liefde bedrijven’ in 's Nachts loopt dat hiete goedt op de kitteljacht uyt snoepen ‘'s Nachts gaan die geile lieden voor hun vermaak naar de lichte dames’ [1612; iWNT].
Wrsch. een klankvariant van → snappen in de betekenis ‘snel grijpen’, waarbij men ‘snoepen’ kan interpreteren als ‘gretig naar iets lekkers grijpen’. Vergelijk nog West-Vlaams snaperen ‘snoepen’, en zie ook → versnapering.
Nnd. snopen ‘snoepen’; on. snópa ‘happen naar, rondlummelen’ (nno. snopa ‘werkloos afwachten’).
snoep zn. ‘zoetigheid’. Vnnl. ten snoep ‘om te snoepen’ [1659; iWNT]; nnl. snoep ‘lekkernij’ in Amandlen, Mispelen en Prikken, Castanjes, Nooten, met nog veellerhande snoep [1798; iWNT]. Afleiding van snoepen. ♦ snoepreisje zn. ‘plezierreisje’. Vnnl. snoepreysje ‘buitenechtelijke seks’ in Ick tyer altemet me op de kittel-jacht om ien snoep-reysje ‘ik ga soms met hen aan de zwier voor een slippertje’ [1613; iWNT], Al wagtende kan men (de niet-gehuwde jongeman) haast een snoep-reisje doen: als men wat laat gaat eeten, ontbyt men wel eens [1698; iWNT]; nnl. wacht u zoet Meisje, voor 't eerste snoepreisje [1715; iWNT], snoepreisje “pleizier reisje met een vrindin” [1717; Marin NF], “plaizierreisje” [1729; Halma NF]. Oorspr. een eufemistische samenstelling voor ‘overspel’ met een eerste lid snoepen in de betekenis ‘heimelijk de liefde bedrijven’, wrsch. gevormd naar analogie van vnnl. snapreis(je) ‘plotselinge of zeer korte reis’: snapreyse ‘id.’ [1573; Thes.], morghen staet my een snapreisken nae Mujden te doen ‘... een bliksembezoek aan Muiden ...’ [1636; iWNT]. In de 18e eeuw kreeg het tweede lid reisje een letterlijke betekenis en ontstond de huidige betekenis ‘plezierreis’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

snóp (zn.) snoep; Nuinederlands snoep <1659>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snoep: 1. ww., peusel aan lekkernye (snoepery, snoepgoed); 2. ww. en b.nw./bw., “suinig (wees) met; Ndl. snoep en ww. snoepen (sedert Kil), hou verb. m. snappen (dial. snaperen/snoeperen), “met d. mond/bek gryp na”; bet. 2. is blb. bep. Afr.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

snoepje In de betekenis ‘borreltje’ onlangs gehoord in Dwingeloo in Drente, in de vorm sneupie. Een dialectwoordenboek geeft als voorbeeldzin: ‘Achter de koffie kregen we nog een sneupie.’ Het naamgevingsmotief spreekt voor zich.
Vergelijk lekkertje, zoet en zuurtje.

[Kocks 1139]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snoep ‘snoepgoed’ -> Noors snop ‘snoepgoed’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut