Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snoeien - (inkorten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snoeien ww. ‘inkorten’
Mnl. in van den zelven wilghen te snoyen ‘voor het snoeien van die wilgen’ [1367-72; MNW], Nu is die vinter voorbi gheleden; ... die tijt des snoeyens is ghecomen ‘nu is de winter voorbijgegaan, de tijd van snoeien is gekomen’ [1450; MNW].
Herkomst onbekend. Er bestaan diverse theorieën, maar geen ervan is overtuigend.
Het woord heeft behalve in het Nederduits geen verwanten en is dus wrsch. geen oud erfwoord. Terugvoering op een Indo-Europese wortel voor ‘uitschaven, voegen maken’ (FvW) is dan ook zeer vergezocht.
WNT, FvWS en NEW wijzen terecht op samenhang met het verouderde, nog slechts gewestelijk bestaande synoniem snoeyen ‘gretig eten, snoepen’ dat oorspr. betrekking had op het afplukken of afsnijden van gewassen en vruchten, bijv. in vnnl. snoeyen van ghebloeyde claver ‘zich te goed doen aan bloeiende klaver’ [1597; iWNT].
NEW meent dat ‘snoepen’ de oorspr. betekenis is en ziet verband met → snavel, maar de voorgestelde betekenisontwikkeling is zeer ongeloofwaardig: men snoeit bomen en struiken om de vruchtzetting en dus het “snoepen” ervan te bevorderen.
EDale rekent snoeien tot een grote groep klankschilderende woorden met sn- die als grondbetekenis ‘snijden, scherp’ zouden hebben, maar deze grondbetekenis geldt alleen voor → snijden.
Ook Toll. legt verband met snavel en de daarbij behorende groep woorden met sn- voor ‘spits vooruitstekende kop of bek’: snoeien is het afsnijden van uitstekende punten van takken. Hiervoor pleit ook Wvl. snoeken ‘snoeien’.
Vercoullie voert snoeien terug op *snoden en stelt verwantschap voor met Vroegnieuwengels snod ‘bijknippen, netjes maken, bijsnoeien’ en Middel- en Vroegnieuwengels snod ‘glad, egaal’. Deze Engelse woorden worden door OED in verband gebracht met Oudnoords snoðinn ‘kaal’, zie → snood. Een reconstructie mnl. *snoden strookt echter niet met de hieronder genoemde Nederduitse vormen; het Nederduits kent immers geen syncope van intervocalische -d-.
Ten slotte is er de mogelijkheid dat snoeien gevormd is als contaminatie van → snijden en → groeien. Het belangrijkste doel van het snoeien is immers dat de gesnoeide boom of heester daarna weer beter gaat groeien. Dit woordvormingsproces is in de 14e eeuw in het Nederlands echter nauwelijks effectief.
Het zou ook nog een klanknabootsing kunnen zijn, naar het geluid dat de zaag maakt.
Mnd. snoien ‘snoeien’, Rijnlands schnühen, schneuen ‘id.’; nfri. snoeie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snoeien* [inkorten (van takken)] {sno(e)yen 1367-1372} middelnederduits snoien; evenals bv. snijden, snavel, snip behoort snoeien tot een grote groep klankschilderende woorden met anlautend sn die als grondbetekenis ‘snijden, scherp’ hebben.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snoeien ww. mnl. snoeyen, snōyen, mhd. snōien ‘snoeien’, maar oudnnl. en dial. ‘snoepen, gretig eten’. Verder geen verwanten en daarom is de vergelijking met ohd. nōen, nuien ‘uitschaven, voegen maken’ weinig aanlokkelijk. De bet. ‘snoepen’ wijst op verband met de talrijke woorden beginnende met sn-, die onder snavel behandeld zijn; men zou kunnen denken aan een grondvorm *snōwan, die dan te vergelijken is met snauwen. — De overgang tot de tegenwoordige bet. kan men dan verklaren uit het feit, dat de bomen gesnoeid worden om de vruchtzetting te bevorderen, dus daarvan lekkerder te eten; of was er zijdelingse invloed van snijen (snijden)? Dan eerder verband met snaaien, zodat men tot een grondbet. ‘wegsnijden, wegkappen’ kan komen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snoeien ww., mnl. snoeyen, snoyen. = mnd. snoien “snoeien”. Oorsprong onzeker. Misschien van een basis sqnê-, sqnô-, een anlautvariant van qnê-, qnô-, waarvan ohd. nôen, nuien “uitschaven, voegen maken”, ohd. hnô, nûa, nuoha, os. hnôa v., ohd. nuot (nhd. nut) v. “voeg, groeve”, ohd. nuoil o. “ploegschaar”, gr. knẽn “schaven”. Een afl. van snoeien is laat-mnl., nog vla. snoeken (snouken) “snoeien”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snoeien. Oud-nnl. (nog dial.) snoeien ‘snoepen, gretig eten (meestal gewassen en vruchten)’ is hetzelfde woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snoeien o.w., Mnl. sno(e)ien + Ndd. snojen, snoden, dial. Eng. to snod, On. sneyđa: Ug. stam *snôđ-, verwant met den wortel van snijden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snoeien ‘inkorten van takken’ -> Papiaments snui (ouder: snoei) ‘inkorten van takken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snoeien* inkorten (van takken) 1367-1372 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut