Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snob - (opschepper over kunst of cultuur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snob zn. ‘opschepper over kunst of cultuur’
Nnl. snob “iemand, die voor een elegant heer wil doorgaan, zonder de middelen en het talent daartoe te bezitten, ploert” [1886; Kramers], zoals in Voor het overige is hij een snob, zoo als Thackeray gewoon is de Engelsche ploerten te noemen [1882; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Engels snob ‘iemand die meer kennis van kunst of wetenschap voorwendt dan hij bezit’ [1846; BDE], eerder al ‘iemand uit een lage(re) sociale klasse’ [1831; BDE], ‘(studententaal van Cambridge) ambachtsman, kruidenier, iemand die niet tot het universitaire personeel behoort’ [1796; BDE] en ‘knecht van een schoenlapper’ [1781; BDE]. Herkomst onbekend. Maar in ieder geval geen letterwoord dat teruggaat op de Latijnse uitdrukking sine nobilitate ‘zonder adel’, zoals vaak te lezen is, want de oudste betekenis in het Engels was ‘schoenmakersleerling’.
Het woord werd gepopulariseerd door de Engelse schrijver William Thackeray (1811-1863), met name door de in 1847 van zijn hand verschenen artikelenbundel ‘The Book of Snobs’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snob [parvenu] {1901-1925} < engels snob, etymologie onbekend. De oudste betekenis is ‘knecht van een schoenlapper’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snob znw. m. ‘wie uit modezucht meer belangstelling voor kunst of wetenschap voorwendt, dan hij bezit; wie voor gentleman wil doorgaan’ < ne. snob van onbekende herkomst.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† snob znw. Jonge ontl. uit eng. snob, een ospr. slang-woord van duistere herkomst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

snob s.nw.
1. Iemand wat kruiperig optree teenoor meerderes om hul guns te wen. 2. Iemand met 'n oordrewe verering van rykdom en sosiale stand en wat neersien op mense uit die laer stand.
Uit Eng. snob (1848 in bet. 1, 1911 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Kern (1890) in die vorm snop.
D. Snob (19de eeu), Fr. snob, Ndl. snob (1901 - 1925).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snob: grootdoenerige pers.; soos Ndl. uit Eng. snob, misk. uit dial. snob, “skoenmaker” (wat hom ’n hoër status aanmatig?); wsk. uit Eng. studt. (vgl. gownsman teenoor townsman).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

snob: verwaand iemand; persoon die zich voornaam voordoet, die alles wat in de mode is bewondert en na-aapt; parvenu*. De herkomst is onzeker. Snob werd in 1781 voor het eerst in het Engels aangetroffen. De oudste betekenis is ‘knecht van een schoenlapper’. Stakers gebruikten het ook om een ‘onderkruiper’ of maffer* mee aan te duiden. In Cambridge was het onder studenten een scheldnaam voor een ‘burgerman’, zoals Nederlandse studenten van een filister* spreken. De huidige betekenis van snob werd in heel Europa bekend dankzij William Makepeace Thackeray’s ‘Book of snobs’, dat eerst (artikelsgewijs) in de Punch (1848) verscheen en later in het Nederlands werd vertaald met: ‘Ploertenboek’.

Ja… Wat zijn de Ameriekanen? Snobs… Ploerten. (Marcellus Emants, Inwijding. Haags leven, 1901)
Het groote publiek dat kunst koopt, bestaat voor een aanzienlijk gedeelte uit snobs. Deze bezitten geen verstand en smaak genoeg om zelf, onafhankelijk, het schoone uit te kiezen, doch laten zich leiden door de mode. (B. Canter, Kalverstraat, 1904)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

snob (Engels snob)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snob ‘parvenu’ -> Indonesisch snob ‘parvenu’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snob parvenu 1904 [WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut