Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snipperen - (tot snippers snijden)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snipperen* [tot snippers snijden] {1588} iteratief van snippen [snijden] {1546} of van snip1, hoogduits snipfeln [snipperen, klein snijden], engels to snip, verwant met snip2 en snip3 [vogel, schuit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snipperen ww. ‘in snippers knippen’, eig. ‘herhaaldelijk knippen’, iteratief van snippen ‘snijden, insnijden’, mhd. snipfen, snippen ‘grijpen, knippen’ ook ‘babbelen’, nhd. schnippen ‘met de vingers knippen’, ohd. sniffen ‘de ogen toeknijpen’, ne. snip ‘afsnijden, afknippen’ oostfri. snippen ‘knippen’ en abl. nnoorw. dial. snīpa (sterk) ‘grijpen, knijpen’. — Zie verder: snip 1.

Daarnaast staat snippelen in Vlaanderen, nnd. schnippeln; maar in de Brandenburgse Mark heerst weer schnippern, dat daarheen gebracht zal zijn door nl. kolonistein (Teuchert Sprachreste 285).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snip znw., mnl. snippe (sneppe) v. = ohd. snëpfo m., snëpfa v. (nhd. schnepfe), os. snëppa v. “snip”. Met ablaut meng. snîpe (eng. snipe), on. snîpa (in mŷri-snîpa) v. “id.”. De vogel is genoemd naar den spitsen snavel (vgl. fr. bécasse “snip” van bec “snavel”) en de opgesomde vormen zijn identisch resp. verwant met mnd. snippe (v.?) “schoenpunt”, de. snip “tip, spits”, zw. dial. snipp, noorw. snîpa “snavel”, Kil. snippen, snipperen “resecare, secare, incidere” (nnl. snipperen, waarbij het znw. snipper), nhd. (ndd.-md. vorm) schnippen “knippen (met de vingers)” (mhd. snipfen, ohd. sniffen “de oogen neerslaan”), eng. to snip “afsnijden, afknippen”, noorw. dial. snîpa (sterk) “pakken, knijpen”, ndd. snîpel “spits rokspand, rok”. Met de woordgroep van knijpen, knippen kunnen geen verwantschapsbetrekkingen bestaan, wel associatieve. Germ. snipp- “snijden, scherp zijn” heeft wellicht pp < idg. pn (’t sterke noorw. snîpa is dan secundair) en komt dan van een basis sqnip-, waarvan ook gr. skníptein · nússein, kainotomeĩn, sknĩpós “gierig” (: qnip-, zie nijpen). Of van een variant hiervan sqni-b-? Hoogerop kan ook ags. snîte v. (eng. snite) “snip” verwant zijn. Zie nog snijden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snipperen o.w., + Hgd. schnippeln, Eng. to snip: bij snip, en dus = met den snavel stukpikken. Zoo ook dial. snikkeren van snakken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snipperen ‘tot snippers snijden’ -> Duits dialect schnippern ‘tot snippers snijden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snipperen* tot snippers snijden 1588 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut