Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snipper - (afgeknipt of afgescheurd stukje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snipper zn. ‘afgeknipt of afgescheurd stukje’
Vnnl. snipperlijnghen ‘afgesneden stukjes’ [1546; Claes 1994a], snipperinghe, snipperlingh ‘afgesneden of afgehakt stukje, spaander’ [1588; Kil.], snippelingen [1608; iWNT snippeling], snipper, snippel ‘id.’ in Brockskens sparen, snippers sparen [1634; iWNT penning], snippelen of Brockels [1682; iWNT snippel]; nnl. snipper ‘afgesneden of afgeknipt stukje stof, leer, papier e.d.’ in je met allerlei snippertjes en vodjes opschikken [1784; iWNT], snippers van papier [1789; iWNT].
Verkorte vorm van ouder snipperling, snippering, snippeling, afgeleid met het onder → -ling behandelde achtervoegsel van het werkwoord snippen ‘in stukjes snijden of hakken’ [1546; Claes 1994a], snippen, snipperen ‘id.’ [1588; Kil.]. snippelen ‘id.’ [1632; iWNT snippelen], waarvan de laatste twee frequentatieven zijn. Wrsch. is snippen een klanknabootsend woord.
Bij het werkwoord snippen horen: nnd. snippen ‘knippen’; nhd. schnippen ‘een knippend geluid maken, met de vingers knippen’; ne. snip ‘knippen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snip znw., mnl. snippe (sneppe) v. = ohd. snëpfo m., snëpfa v. (nhd. schnepfe), os. snëppa v. “snip”. Met ablaut meng. snîpe (eng. snipe), on. snîpa (in mŷri-snîpa) v. “id.”. De vogel is genoemd naar den spitsen snavel (vgl. fr. bécasse “snip” van bec “snavel”) en de opgesomde vormen zijn identisch resp. verwant met mnd. snippe (v.?) “schoenpunt”, de. snip “tip, spits”, zw. dial. snipp, noorw. snîpa “snavel”, Kil. snippen, snipperen “resecare, secare, incidere” (nnl. snipperen, waarbij het znw. snipper), nhd. (ndd.-md. vorm) schnippen “knippen (met de vingers)” (mhd. snipfen, ohd. sniffen “de oogen neerslaan”), eng. to snip “afsnijden, afknippen”, noorw. dial. snîpa (sterk) “pakken, knijpen”, ndd. snîpel “spits rokspand, rok”. Met de woordgroep van knijpen, knippen kunnen geen verwantschapsbetrekkingen bestaan, wel associatieve. Germ. snipp- “snijden, scherp zijn” heeft wellicht pp < idg. pn (’t sterke noorw. snîpa is dan secundair) en komt dan van een basis sqnip-, waarvan ook gr. skníptein · nússein, kainotomeĩn, sknĩpós “gierig” (: qnip-, zie nijpen). Of van een variant hiervan sqni-b-? Hoogerop kan ook ags. snîte v. (eng. snite) “snip” verwant zijn. Zie nog snijden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snipper ‘reepje schil van een oranjeappel of sinaasappel’ -> Duits dialect † Snipper ‘reepje schil van een oranjeappel of sinaasappel’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut