Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snip - (vogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snip zn. ‘vogel van het geslacht Gallinago, Scolopax of Limnodromus
Mnl. snippe, sneppe ‘snip’ in .xi. s ghelts ende ses snippen ‘11 schelling aan geld en 6 snippen’ [1280-87; VMNW], vlesch vander sneppen es ghesont ‘snippenvlees is gezond’ [1287; VMNW]; vnnl. sneppe oft snippe [1573; Thes.], sneppe, snephoen [1599; Kil.].
De snip is genoemd naar zijn karakteristieke lange spitse snavel. Het woord hoort bij de groep woorden met sn- voor ‘(dieren met een) spits vooruitstekende kop of bek’, waarvoor zie → snavel.
Os. sneppa (mnd. snippe, sneppe, snippel); ohd. snepfo (nhd. Schnepfe); nfri. snip. Daarnaast met lange klinker: oe. snīpe (ne. snipe); on. snípa (nno. snipa). Al deze woorden verwijzen naar een of meer van de hieronder genoemde snipsoorten.
De bekendste vogel met deze naam heet voluit watersnip (wetenschappelijke naam Gallinago gallinago). Zeldzamer is de grotere poelsnip (Gallinago media), die vooral voorkomt als doortrekker. Beide zijn genoemd naar hun favoriete leefgebied, namelijk vochtige weilanden, veengronden en moerassen. Daarnaast kent men de houtsnip (Scolopax rusticola), genoemd naar zijn leefgebied (mnl. hout ‘bos’), en de niet-inheemse grote grijze snip (Limnodromus scolopaceus), genoemd naar de kleur van zijn verenkleed.
snipverkouden bn. ‘zeer verkouden’. Nnl. zoo verkouden als eene poelsnip [1861; Harrebomée], verkouwen als een snip [1909; Veenenbos], snip-verkouden [1917; Leeuwarder Courant]. Deze uitdrukking is volgens Veenenbos (1909) gevormd naar analogie van de oudere uitdrukkingen kijken als een (poel)snip ‘beteuterd kijken’ en dronken als een (poel)snip ‘zeer dronken’, naar de wilde zigzagmanier van vliegen van de poelsnip bij verstoring; oude attestaties zijn: vnnl. hy keeck als een Poelsnip (‘watersnip’) [1615; iWNT wezen II] en nnl. als een bezopen snip [1858; iWNT snip II]. Verwijzing naar de met modder besmeurde snavel van de watersnip of poelsnip tijdens het fourageren (Blok/Ter Stege) is ook mogelijk. Of de roep van de poel- danwel van de watersnip iets met deze uitdrukkingen te maken heeft, is twijfelachtig.
Lit.: K. Veenenbos (1909), ‘Iets over vergelijkingen in de taal’, in: De nieuwe taalgids 3, 1-13, hier 10-11

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snip2* [vogel] {snip(pe), sneppe 1280-1287} net als snip3 [schuit] genoemd naar de vorm: het dier heeft een lange spitse snavel, vgl. frans bécasse [snip], van bec [snavel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snip 1, snep znw. v. ‘vogelnaam’, mnl. snippe, sneppe v., os. sneppa, ohd. snepfo m., snepfa v. (nhd. schnepfe); daarnaast abl. me. snīpe (ne. snipe), on. mȳri-snīpa. — Dat de vogel naar zijn spitse bek genoemd is, bewijzen mnd. snippe, snippel ‘schoenpunt’ ook ‘klein hapje’ ne. snip ‘tip, stuk’, nde. snip ‘tip, spits’, vgl. nog nijsl. snipur ‘penis’, nnoorw. dial. snīpa ‘snavel’, nzw. snipa ‘lange en smalle boot’, dial. ook ‘snip’ en ‘tip’. — > russ. šnip ‘slip, punt’, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. A W Amsterdam 66, 2, 1959, 86.

Het woord behoort tot de affectieve woordgroep met sn-anlaut, waarvoor zie: snavel, evenals snappen en snoepen. Hoewel men zou kunnen verbinden met gr. sknipto ‘knijpen’, sknípos, kniphos ‘gierig’ en dan dus terug gaan op een idg. *sknip, bestaat daarvoor toch geen aanleiding, omdat dit alles zuiver intern-germaanse woordvormingen zijn. Daarom is een on. snopa, snoppa ‘snuit’ = mnl. snop, mnd. snoppe ‘verkoudheid’ niet als een nultrap te beschouwen, maar behoort tot een andere vocaalrij, blijkens nhd. dial schnaupe ‘snuit’ (vgl. voor zulke klinkerwisselingen J. de Vries IF 62, 1956, 136-150).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snip znw., mnl. snippe (sneppe) v. = ohd. snëpfo m., snëpfa v. (nhd. schnepfe), os. snëppa v. “snip”. Met ablaut meng. snîpe (eng. snipe), on. snîpa (in mŷri-snîpa) v. “id.”. De vogel is genoemd naar den spitsen snavel (vgl. fr. bécasse “snip” van bec “snavel”) en de opgesomde vormen zijn identisch resp. verwant met mnd. snippe (v.?) “schoenpunt”, de. snip “tip, spits”, zw. dial. snipp, noorw. snîpa “snavel”, Kil. snippen, snipperen “resecare, secare, incidere” (nnl. snipperen, waarbij het znw. snipper), nhd. (ndd.-md. vorm) schnippen “knippen (met de vingers)” (mhd. snipfen, ohd. sniffen “de oogen neerslaan”), eng. to snip “afsnijden, afknippen”, noorw. dial. snîpa (sterk) “pakken, knijpen”, ndd. snîpel “spits rokspand, rok”. Met de woordgroep van knijpen, knippen kunnen geen verwantschapsbetrekkingen bestaan, wel associatieve. Germ. snipp- “snijden, scherp zijn” heeft wellicht pp < idg. pn (’t sterke noorw. snîpa is dan secundair) en komt dan van een basis sqnip-, waarvan ook gr. skníptein · nússein, kainotomeĩn, sknĩpós “gierig” (: qnip-, zie nijpen). Of van een variant hiervan sqni-b-? Hoogerop kan ook ags. snîte v. (eng. snite) “snip” verwant zijn. Zie nog snijden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snip. Naast snipperen ook nnl. (reeds 17e eeuw) snippelen, waarbij het znw. † snippel. — Over pp in germ. snipp- uit idg. pn zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snip v., Mnl. snippe, sneppe, Os. sneppa + Ohd. snepfo (Mhd. snepfe, Nhd. schnepfe), Meng. snîpe (Eng. id.), On. snípa (Zw. snäppa, De. sneppe); hierbij Mndd. snippe = schoenbek, Hgd. schnipfel, De. snip = spits, dial. Zw. snippe = bek: misschien Idg. wrt. snei̯p verwant met den wortel van snavel; vergel. Fr. bécasse van bec.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

snip (de, -pen), snipje (het, -s), naam voor een aantal soorten waadvogels: plevieren, w.o. de zilverplevier (Pluvialis squatarola) en een steenloper (Arenaria interpres morinella); snippen, w.o. de watersnip (SN grassnip* of rijstsnip*, Gallinago gallinago); strandlopers, w.o. de drieteenstrandloper (Calidris alba) en een kanoetstrandloper (Calidris canutus rufus); ruiters, w.o. de twee geelpootruiters (S toriman*, Tringa flavipes en T. melanoleuca); een steltkluut (Himantopus himantopus mexicanus). Een vlucht witte snippen scheert plotseling rakelings over het water. In formatie, een thematisch haarscherp gelijkzijdige driehoek (Ferrier 1973: 454). Jachtpartijen ontaarden soms in het zonder onderscheid neerschieten van alle vogels, vooral ’snipjes’ en andere trekvogels uit Noord-Amerika (op de modderbanken* en in de kustzwampen); de dieren worden dan vaak niet eens opgehaald (Enc.Sur. 307). - Etym.: S snepi. AN s. is de verzamelnaam voor de ’watersnip’ en enige aan deze verwante soorten. E ’snipe’ is in beginsel hetzelfde als AN s. , bij uitbr. echter ook de naam voor een aantal vogels die op een ’snip’ lijken. Oudste vindpl. Teenstra 1835 II: 430.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

SNIPPEN
De benaming Snippen danken deze vogels aan hun spitse, lange snavel, die gelijkenis vertoont met een middeleeuwse schoenpunt, snippe genoemd. Vergelijk de Oudhoogduitse naam voor een snip: snepfa.

POELSNIPGallinago media
Duits Doppelschnepfe
Engels Great Snipe
Frans Bécassine double
Fries Dûbele Snip
Betekenis wetenschappelijke naam: ‘kip die het midden houdt tussen Watersnip en Houtsnip’ (grootte resp. 26-28-34 cm). De naam Poelsnip of Poelsnep (Gd, NB, Vla) houdt verband met het broedgebied van de vogels in het buitenland: moerassige terreinen. In ons land is de vogel een zeldzame doortrekker. Hij zoekt zijn voedsel onder meer in vochtige weilanden waardoor hij plaatselijk Grassnep (Gd) of Grasvogel (Gd) en Grasduiker (Vla) genoemd wordt. In de paartijd maken de mannetjes een klepperend geluid met de snavel. Het Groningse Klepper brengt dit tot uitdrukking. Om het verschil in formaat ten opzichte van de Watersnip aan te geven noemden jagers hem Dubbele Snip. Deze benaming zien we eveneens vermeld in het Friese Dûbel(d)e Snip en in enkele buitenlandse namen.

WATERSNIPGallinago gallinago
Duits Bekassine
Engels Common Snipe
Frans Bécassine des marais
Fries Waarlamke
Betekenis wetenschappelijke naam: hen (of kip). Het element ‘Water’ doelt op de moerassen en veengronden waar de vogel leeft. Dezelfde achtergrond hebben z’n namen Waetersnippe (Dr), Wettersnip (Fr, Ter), Wetterlyster (Fr), Watersnep (Vla), Dreksnip (Twe), Grassnep, Rietsnip en Rietsnep. Vroeger kwam hij zo algemeen voor dat hij kortweg Snip, Snep (NB, ZVl), Snup (MLb) en Gewone Snep werd genoemd (zie bij Snippen). Een opvallend geluid wordt in het voorjaar door het mannetje voortgebracht wanneer hij tijdens een dalende vlucht de buitenste staartveren spreidt zodat de lucht daar tussendoor strijkt. Dit geluid stond borg voor een groot aantal volksnamen. Nu eens werd het vergeleken met het mekkeren van een geit of bok, dan weer met het blaten van een lam of schaap en soms met het ronken of hinniken van een merrie: Veengeit, Vennezege (Ach, Twe) – ‘zege’ = Duits Ziege –, Vênesegge (Ach), Havergeit (Vla) – vergelijk het Angelsaksische Höferblete = ‘bokblater’ –, Hemelgeit(je), Himelgeitsje (Fr), Luchtschaap, Geitemelker (Bet, Ter), Bokkie of Bokje (Tex, Twe, ZVl), Gunterbokkie(n) (Dr) = ‘hinnekend bokje’, Mekkervogel, Melketje (ONB), Bletterlamke(s), Lammegie (Rij, Sal), Waerloampien (Fr) en Wjerlamke (Fr) als varianten op de Friese naam, elders Weerlam(ke) (Gr, Ov, Twe), in welke namen ‘Waer’, ‘Weer’ enz. (verwant aan Duits widder) ‘jonge os’ betekent, Bromsnip (Ens), Trommelaar (NB), Venneronke (Ens), Ranneker (Rij), Ronnekemêre (Ach, Ens) en Rönnekemaer (Ach). Het op blaten gelijkende geluid in het voorjaar is ook tastbaar in Maailamke (Fr), een in mei geboren lammetje. Het uit de keel van de Watersnip komende geluid klinkt ‘raspend’, waaruit z’n naam Schetring (Ter) ontstond. Evenals de Houtsnip heeft hij een lange ‘paalvormige’ snavel. Dat is verwerkt in de namen Langsmoel, Schoenmakertje en Schoanmaekertien (Ste). Bij de laatste gaat het eigenlijk om de els die door de schoenmaker wordt gehanteerd en die de vorm van de snavel heeft. Er zal verband zijn met het Franse bécasse dat o.m. schoenmakersmes betekent, alsmede zijdelings met de oude betekenis van snip: schoenpunt. Verscheidene van z’n namen zijn uit de jacht voortgekomen zoals Volle Snip, Kleine Houtsnip, Blauwpoot en Blauwtje. ‘Blauw’ is hier de benaming voor een vogel met minder handelswaarde dan een andere soort, in dit geval de zwaardere Houtsnip. Een naam die voor de jager de betekenis heeft van een goede vangst in het najaar, is Sint Maartenssnip (Frans: Bécasse martinet). Ook andere vogelsoorten heeft men onder deze noemer gebracht (zie bij Goudhaantje). Gierzwaluwhoutsnip, een boekennaam, doelt op de snelle zig-zag vlucht en de bijna zwarte rugkleur. Die manier van vliegen heeft geleid tot de zegswijze “Hij is zo zat als een snip”. Het woord ‘snipverkouden’ zou een verwijzing zijn naar de snavel die tijdens het fourageren met modder is besmeurd. Een vogel die werd uitverkoren om ons biljet van honderd gulden een aantal jaren te mogen sieren!

HOUTSNIPScolopax rusticola
Duits Waldschnepfe
Engels Woodcock
Frans Bécasse des bois
Fries Houtsnip
Betekenis wetenschappelijke naam: landbewoner met paalvormige snavel. De Houtsnip is een echte bosbewoner die zich overdag doorgaans schuilhoudt in de onderbegroeiing. Hierbij heeft hij veel profijt van zijn schutkleur als van afgevallen blad. Verschillende streeknamen wijzen op zijn biotoop zoals Holtsnip (Gr), Bossnippe (ZVl), Bossnep (Lb, NB), Wâldsnip (Fr) en Woudsnep (Gd). De soort wordt ook wel met Grote Snip of Grote Snep aangeduid. Eerst tegen zonsondergang wordt de vogel actief. Mede hierdoor en in verband met de wat uilachtige vleugelslag en de ronde kop met de achteruitstaande ogen kreeg hij de namen U(i)lekop. Het Vlaamse Bekkaas, gevormd uit het Franse bécasse, wijst op de opvallend grote snavel. Vanwege die snavel en de typische stand van de ogen werd de Houtsnip vroeger door jagers de ‘dame (juffer) met het lange gezicht’ en de ‘vogel met de Belladonna-ogen’ genoemd. De volksnaam Fluweeloog past uitstekend in deze reeks benamingen. De namen Koningssnip en Bloksnip zijn eveneens afkomstig uit de jagerij en hangen samen met het relatief zware gewicht en de gedrongen lichaamsvorm van de soort. Bij de snippenjacht onderscheidt men de Houtsnip als Bruinpoot van de met blauwpoten aangeduide Water- en Poelsnippen. De naam Wildsnip is vermoedelijk van poeliers afkomstig.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Halve Snip, fries Heale Snip Volksnamen voor het Bokje ↑, omdat deze maar ongeveer half zo zwaar is als de Watersnip. Ook de volksnaam Kleine Watersnip komt voor. Houttuyn 1763 (p.233 en Bladwyzer sub H) gebruikte al de naam Half-Snepje voor het Bokje, welke naam hij suggereert aan het E ontleend te hebben. Jackson 1968 (p.51) noemt E Half-snipe (in Norfolk). NV 1797 geeft Halfsnepje en Haairsnep op als namen voor het Bokje (vgl. ook sub Haarsnip).

Kleine Grijze Snip Limnodromus griseus (Gmelin: Scolopax) 1789. In de Lage Landen nog niet met zekerheid waargenomen amerikaanse Steltlopersoort, die sterk gelijkt op de Grote Grijze Snip ↑. Een in HFP 1973 gebruikte naam, Zuidelijke Grijze Snip, is nu verlaten. E Shortbilled Dowitcher.

Laplandsche Snep Oude N benaming voor de Rosse Grutto ↑, ws. naar de toenmalige wetenschappelijke naam “Scolopax lapponica”, bij Houttuyn 1763 (p.234) en B&O 1822.

Zuidelijke Grijze Snip Oude N naam voor de Kleine Grijze Snip ↑. De naam staat o.a. in HFP 1973.

Dubbele Snip Naam voor de Poelsnip ↑ in Schlegel 1852 (daar cursief). Hij komt overeen met Dubbelsnep ↑ in NV 1797 (deel 3) en bij B&O 1822 en met fries Dûbele Snip ↑.
D Doppelschnepfe is thans de officiële naam voor de Poelsnip, maar Suolahti 1909 en Wüst 1970 noemen deze naam ook voor de Watersnip Gallinago gallinago. Hoe is dit mogelijk? – De Watersnip is gemiddeld dubbel zo zwaar als zijn kleinere verwant het Bokje Lymnocryptes minimus. Jagers in de Lage Landen en in Duitsland zullen van de drie erg op elkaar lijkende soorten Watersnip, Bokje en Poelsnip vooral de eerste in hun weitas gehad hebben, aanzienlijk minder Bokjes en vermoedelijk nóg minder Poelsnippen. De gewichtsverhouding 2:1 zal dus vaker bij Watersnip en Bokje opgevallen zijn (waarbij de Watersnip de ‘dubbele snip’ was) dan bij Poelsnip en Watersnip.
Dat de volksnamen voor de drie genoemde Snippen erg door elkaar liepen, blijkt ook uit de naam Bokje ↑ voor de kleinste van de drie: Bokje zou op grond van het mechanische baltsgeluid, dat op het mekkeren van een Bok lijkt, eigenlijk de naam voor de Watersnip geweest moeten zijn.
Bij het baltsen en broeden zouden herkenbare verschillen tussen de drie soorten duidelijk tot uitdrukking moeten komen in literatuur en naamgeving. Hiervan blijkt niets, althans wat Bokje en Poelsnip betreft; alléén bij de naam Klepper ↑ zou aan een bepaald zacht geluid dat de Poelsnip tijdens de balts op de lek maakt, gedacht kunnen zijn, maar ook bij deze naam speelt misverstand de grootste rol.

Dûbele Snip Officiële friese naam voor de Poelsnip ↑ [Boersma 1972]. In De Vries 1912 en 1928: Dûbelde Snip. Albarda 1897 gaf als volksnaam Dubbele Snip ↑ op, maar vermeldde er niet bij dat deze naam óók of speciaal voor Friesland gold.
ViF 1977 meldt dat het broeden in de provincie Friesland, ondanks de bewering van Albarda, nooit met zekerheid is vastgesteld. Zelfs (een zeer beperkt aantal) veldwn.en en wn.en in de hand in deze provincie blijken op verre van betrouwbare determinaties te berusten, uitgezonderd een in 1930 door een poelier gewogen exemplaar: 245 gram sluit een Watersnip wel uit (maar niet een Houtsnip!). Indien jagers en poeliers van het door Schlegel 1858 genoemde criterium van 16 staartpennen bij de Poelsnip zouden zijn uitgegaan, dan moet met een foute determinatie van 3% van alle Watersnippen (als Poelsnip nl.) gerekend worden [BWP 1983 p.422 sub structure].

Grote Grijze Snip Limnodromus scolopaceus (Say: Limosa) 1823. Zeldzaam uit Amerika naar Europa afdwalende Snipachtige vogel, die in het winterkleed grijs is (in het zomerkleed rood) en die iets groter is dan de nog zeldzamere Kleine Grijze Snip L. griseus. Deze laatste is nog nooit in de Lage Landen vastgesteld. Op 18 mei 1983 werd de eerste Grote Grijze Snip in N waargenomen; dit betrof een ringvangst. Op 4 september 1971 werd in de Lauwersmeer een vogel gedetermineerd als “grijze snip Limnodromus”. NAE 1958 en Kist 1954 (1962) vermeldden de N naam Grijze Snip voor L. griseus, de soort die men toen in Europa meende op het oog te hebben. In HFP (1973) gebruikt men de N namen Noordelijke Grijze Snip ↑ voor de Grote Grijze Snip en Zuidelijke Grijze Snip voor de Kleine Grijze Snip.
Thomas Say (1787-1834) was een noordamerikaans bioloog en lid van enkele expedities naar de Rocky Mountains. Hij was vooral entomologisch actief en beschreef de Coloradokever Leptinotarsa decemlineata voor het eerst. In 1824 publiceerde hij het eerste deel van de geïllustreerde American Entomology. Tijdgenoot Charles Bonaparte noemde naar hem de Say’s Phoebe Sayornis saya, een Vliegenvanger van de Nieuwe Wereld (Tyrannidae) die Say voor het eerst beschreef. [Evans 1993; Terres 1980; Jobling 1991]

Noordelijke Grijze Snip Grote Grijze Snip Limnodromus scolopaceus (Say: Limosa) 1823. Heeft zijn broedgebied in Amerika noordelijker gelokaliseerd dan de verwante Zuidelijke Grijze Snip = Kleine Grijze Snip L. griseus. Deze laatste is nog niet in N met zekerheid vastgesteld. Merk op dat noordelijk hier in tegenstelling staat tot zuidelijk en niet wil zeggen: uit het Noorden afkomstig. Hiervoor gebruikt men nl. in N vogelnamen het woord Noordse ↑.
[Dit is de plaats er op te wijzen dat hier de zgn. Regel van Bergmann mooi opgaat. Van twee verwante soorten met in breedte verschillend verspreidingsgebied is de soort die het dichtst bij de Pool voorkomt het grootst. Dit is namelijk voordeliger voor het organisme in de warmtehuishouding. Eveneens is het in koudere omgeving voordeliger om korte uitstekende lichaamsdelen te hebben. Dit verkondigt de zgn. Regel van Allen. Deze regel echter gaat voor beide Grijze Snippen niet op: de Noordelijke heeft nl. een langere snavel (E Long-billed Dowitcher) dan de Zuidelijke (E Short-billed Dowitcher). Zie ook onder Grote Grijze Snip.]

Poalske Snip Officiële friese naam voor het Witgatje ↑ [Boersma 1972]. De Vries 1912 noemde de naam van het lemma reeds. Albarda 1897 gaf als naam in Friesland op: Poolsche Snip; dit was dan de hollandse vertaling.
De vogel is mogelijk naar het broedgebied genoemd, maar Polen is niet het centrum van het verspreidingsgebied. Daarom kan er ook sprake zijn van een verbastering van nederduits Pohlsneppe, Polschnep ‘Watersnip en/of Rosse Grutto’, waarin het eerste element staat voor D Pfuhl ‘poel’. ‘Snip’ voor een Tringa-soort is te begrijpen omdat het Witgatje een vrij lange snavel heeft (toch nog korter dan van het Bokje) en een wat erratische (= dwarrelende) vlucht (als van een Snip). Voor de etymologie van Poalske zie sub Poolsche Mees en voor die van poel zie sub Poelruiter.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

snep, snip In de betekenis ‘borrel’ in 1865 voor het eerst gevonden, in Vlaanderen, als snepske. De borrelnaam gaat terug op de veel oudere uitdrukking zo dronken als een snep of snip. De samenstelling snepdronken is al in 1646 gevonden.
Een snep of snip is een watervogel met een zeer lange snavel, zoals iedereen weet die wel eens een biljet van honderd gulden in handen heeft gehad. Een watervogel kan wat de dronkaard graag zou willen, namelijk zijn snavel eeuwig in het nat houden. Dit naamgevingsmotief heeft verschillende borrelnamen opgeleverd, zoals kikvors.
Snip en snep — de borrelnaam snaps maakt het rijtje compleet — zijn vereeuwigd in verschillende zegswijzen. Behalve zo dronken als een snep zijn dit drinken gelijk een snep; hij heeft een snipper op en hij heeft een snippertje van de vorst beet (voor ‘hij heeft te veel sterke drank gebruikt’). Deze uitdrukkingen waren aan het eind van de 19de eeuw zowel in Nederland als in Vlaanderen bekend. In Gent zei men tevens sneppe zijn voor ‘dronken zijn’.
Een Bargoens woordenboekje nam de borrelnaam in 1937 op als snep, Van Dale vermeldt hem sinds 1984 als snip, een studie van het Achterhoeks in 1996 als snepske.

[Bolhuis 166; Harrebomée 2:279, & 3:xlix; Herroem 86, 88, 101; Liev.-Coopm. 1318; Nav. 3:286, & 47:61; Ovl 9:49; Prikken 136; Schaars 414; Schuermans 639; WNT XIV 2362-2363]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snip ‘steltloper’ -> Deens sneppe ‘steltloper’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds snäppa ‘steltloper’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † neppe; enèpe, arnépe; enep ‘steltloper; watersnip; kwikstaartje’; Papiaments snepi (ouder: snèpi) ‘vogel: Amerikaanse kleine steltloper (Calidris minuttila)’; Sranantongo snepi (ouder: snippi) ‘vogelsoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snip* steltloper 1280-1287 [CG I1, 507]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

snip (naar de afbeelding op het biljet: een water- en een poelsnip), slangbenaming voor het in 1977 in omloop gekomen briefje van honderd. In prostitutiekringen was lange tijd de slogan ‘Een snip voor een wip’ gangbaar.

Wat een snip is? Honderd piek. (Leo Derksen: De dansende kater, 1983)
Grote bedragen heb ik nooit meer in mijn handen. Als er elke maand tien snippen in de bus lagen zou ik veel zuiniger zijn. (Haagse Post, 21/01/89)
Zo’n (gebrek aan) actie vergt zitvlees: de kwieke dertiger die de snip belegde, is bejaard als hij ‘casht’. (Elsevier, 05/04/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut