Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snip - (keep, snede)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snip1* [keep, snede] {1675} van snippen (vgl. snipperen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snip 3 znw. m. ‘smalle inkeping, snede’ van een ww. snippen, waarvoor zie: snipperen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

snip, zn.: dunne snee, plakje. Wvl. snebbe, snibbe ‘snipper, sneetje’. Van Brabants snippen ‘snipperen’, Vnnl. snippen, hackelen int sniden ‘deschiqueter’, snipperlijnghe ‘deschiquetement’ (Lambrecht), snippen, snipperen ‘snijden’, snipperingh, snipperlingh (Kiliaan); 1770 snibbels van blek, Gent (LC). Mhd. snipfen, snippen ‘knippen’, Ndd. snippen ‘knippen’, D. schnippen, schnippeln, schnipfeln, Ndd. snippel ‘snipper’, D. Schnipsel, Schnipfel ‘snipper, strookje’. E. to snip ‘afsnijden, afknippen’. Snippen is een var. met secundaire ablaut naast snappen. Alweer een expressief sn-woord met grondbetekenis ‘snijden, scherp. Afl. snippeling ‘snipper’; snipke ‘stukje, beetje’.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

snebbe (GG: R), snibbe (DB), zn. v.: snipper, sneetje. Zie snebbelen.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Snip Algemene N/friese benaming voor de ‘echte’ Snippen (subfamilie Gallinagininae), Houtsnippen (subfamilie Scolopacinae) en een niet-verwante subfamilie der Goudsnippen (Rostratulidae). In volksnamen ook Snep. D Schnepfe ook voor sommige Tringinae zoals de Grutto, of fries Poalske Snip voor het Witgatje; zweeds snäppa voor de verwante subfamilie der Calidrininae, bijv. Kärrsnäppa ‘Bonte Strandloper’.
ETYMOLOGIE N Snip snippe [Jacob van Maerlant c.1266 vs. 2823], sneppe [id.] en mnd snippe, sneppel, snebbe; oostfries Snippe [De Vries 1912]; D Schnepfe snepfe snepfa; E Snipe snipe snite; faerøers/ijsl snípa snipa (in myrisnipa; noors Myrsnip is nu een lokale volksnaam voor Watersnip en Houtsnip [Haftorn 1971]). Deens Skovsneppe ‘Houtsnip’, letterlijk ‘bossnip’.
R Wál’dsjnep ‘Houtsnip’ is geleend uit het D.
Het woord behoort tot een grote familie van met sn- beginnende woorden, die het begrip ‘snijden, scherp zijn’ vertolken, zoals sneb, snavel, snib(big), Snoek (spitse bek!) en het daarmee verwante E snake ‘slang’, snipperen, snikkeren, snappen (met gestulpte lippen), snuffelen (met uitgestoken neus) etc. De N woorden neb(be) en sneb(be) ‘snavel’ zijn verwant. De Snip is dus zo genoemd naar zijn lange snavel.
[Ook F Bécasse geeft de relatie tot de lange snavel (= bec) (vgl. ook Maubèche onder Kanoet). De etymologie is hier uiteraard geheel anders (vgl. die van bek sub Dikbekzeekoet). Voor F Boucasse zie sub Bokje.]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snip ‘keep, snede’ -> Engels snip ‘snipper; kleine hoeveelheid; snede, keep’; Russisch † šnip ‘hoekje, puntje of lapje aan vrouwenkleding’; Creools-Portugees (Batavia) snip, snippies ‘keep, snede’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut