Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snik - (het eenmalig snikken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snikken ww. ‘hikkend huilen’
Vnnl. snicken ‘hikken’ [1552; Claes 1994b], i.h.b. bij het huilen in en te schreien dat gy snikt [1678; iWNT].
Wrsch. een van de formaties uit de onder → snuiven aangevoerde groep woorden voor acties waarbij sprake is van een min of meer krachtige en/of schoksgewijze ademhaling. Mogelijk gevormd naast hikken, zie → hik, onder invloed van → snakken.
snik 2 zn. ‘het eenmalig snikken, krampachtige ademtocht’. Mnl. in de toenaam van Weitin Snic [1275; CG I]; vnnl. snick ‘hik’ [1552; Claes 1994b], met den Snick geplaecht ‘door de hik geplaagd’ [1595; iWNT], ‘krampachtige ademtocht’ [1599; Kil.]. Afleiding van snikken, maar de verhouding kan evengoed omgekeerd zijn. Iets eerder geattesteerd zijn al de nevenvormen snock en snuck: mnl. Met groten snocken ende vele tranen [ca. 1480; MNW snoc], vnnl. drie corte snucken [1534; MNW snic].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snik 2 znw. m. ‘krampachtige ademtocht’, sedert Kiliaen, afl. van snikken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snik III (het snikken), sedert Kil. Van snikken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snik 1 m. (hik), uit snikken, Mnl. snicken = slikken, snikken: ablaut bij snakken, sneukelen.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

snik In 1800 voor het eerst opgetekend, in een Gents blijspel. Er is daar sprake van ‘aen den snik gaen’. Aan het begin van deze eeuw gebruikte men in Zuidoost-Vlaanderen snik hebben voor ‘dronken zijn’. In de jaren dertig zei men in de Amsterdamse dieventaal oude snik voor ‘oude klare’. Volgens een Gents dialectwoordenboek is snik afgeleid van het Franse schnick. Dit onfrans aandoende woord bleek echter in de Franse woordenboeken niet te vinden. Volgens een andere bron houdt de borrelnaam verband met het Vlaamse snik in de betekenis ‘hik, schokkende beweging van de slokdarm’. ‘Omdat een zat mensch dikwijls den hik heeft’, zo redeneerde de Vlaamse taalgeleerde Teirlinck in 1910. Onlangs werd de borrelnaam nog gehoord in Gent. Het Amerikaans-Engels had vroeger de overeenkomstige term hiccough.

[Bolhuis 127; Liev.-Coopm. 1320; Teirlinck 1908:1029; WNT XIV 2357; Wschat 869]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snik ‘hikkend geluid bij het huilen’ -> Papiaments snek ‘hikkend geluid bij het huilen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut