Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sneuvelen - (omkomen)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

sneuvelen ww. ‘omkomen’
Mnl. snevelen ‘struikelen, vallen’ (1408), daarnaast sneuvelen en snovelen [waarin de o voor eu staat] (1399); bijna uitsluitend in het Noord-Nederlands.
Nieuwnl. snevelen (1570), snuevelen, sneuvelen (1570), snuyvlen (1683, Gent) ‘struikelen, vallen; omkomen, vergaan, in de strijd vallen’; snevel, sneuvel ‘onheil, misstap’ (1522). De vormen met ee verdwijnen na 1650, alleen sneuv- blijft dan over. Bovendien is sinds die tijd de betekenis van het werkwoord vernauwd tot ‘in de strijd vallen’. Dialecten: Zeeuws snevelen ‘zich bij het lopen tegen de enkels schoppen’.
sneven ww. ‘omkomen’
Vroegmiddelnederlands sneven ‘struikelen, vallen, omkomen, dwalen’ (1250; in alle zuidelijke dialecten), zn. sneven ‘mankeren, te kort komen, ongeluk’ (1265–1270), Mnl. ontsneven ‘aan de dood ontkomen’ (1390–1410). De vervoeging in het Middelnederlands is meestal zwak (sneefde, ghesneeft), al komt het deelwoord ook als gesneven voor, en eenmaal de verleden tijd als snaf en de subjunctief verleden tijd als snave (Ferguut, 1340-50). Eenmaal ook teg. tijd snoven (met eu gesproken, eind 15e eeuw). Nieuwnl. sneven ‘struikelen, vallen, omkomen, falen, lijden’ (1500+; steeds zwak), besneven ‘sterven aan’ (1548). Zeeuws sneuven ‘smalen’.
Verwante vormen: Middelnederduits snaven (zwak ww.), zelden sneven, snoven ‘struikelen, vallen’, freq. snavelen, Middelhoogduits snaben ‘het struikelen’, snaben ‘snappen [snelle beweging maken], springen, haasten, struikelen’, zelden sneben; in het Nieuwhd. is hiervoor schnappen in de plaats gekomen. Oudnoors snafðr ‘begerig’.
De ronding van ee tot eu in sneuvelen en sneuven is door de v veroorzaakt, vgl. bijv. zeuven naast zeven ‘7’ en keuvelen uit kevelen. De klinker a in Laag- en Hoogduits wijst op een zwak ww. *snabōn of *snabēn, het Nederlandse snev- op *snabjan. Uit *snabjan kon in het Nl. zowel *snebben als sneven ontstaan (vgl. hebben naast Mnl. du heves, hi hevet uit *habjan); dat sneven de overhand kreeg kan aan het bestaan van *snaven hebben gelegen. De sterke werkwoordsvormen in het Mnl. worden niet door andere talen ondersteund en zijn dus waarschijnlijk secundair. Indien Westvlaams saffelen ‘struikelen’ op een ouder *snaffelen teruggaat (dat is uiteraard speculatie), kan het van umlautloos *snaven ‘struikelen’ zijn afgeleid.
Andere woorden met een wortel *snab- zijn Ned. snavel (*snabla-), Nl. sneb, MLD snebbe (*snabja-) en Oud-Fries snabba ‘mond’ (*snabban-). Ze zijn afgeleid werkwoorden voor ‘happen’ die we met verschillende medeklinkers aantreffen: Vnnl. snabben ‘happen; blaffen’ (*snabb-), Nnl. snappen (*snappōn-), Oudnoors snapa ‘bijten, toesnappen’ (*snapōn-), en Nl. snoepen (*snōp-, Oudnoors snópa ‘happen naar, rondlummelen’); zie daarover Kroonen 2009: 249. De betekenis ‘struikelen’ van sneven en snevelen berust op de ‘haperende’, ‘snappende’ beweging van de benen (merk op dat haperen van happen is afgeleid).
Aangezien de werkwoorden met stam-finale -p(p) binnen het Germaans ontstaan kunnen zijn uit -b, zal aan de basis van deze familie een Proto-Germaans ww. *snaban of *snabjan ‘dichtklappen, toehappen’ liggen, met daarbij een iteratief *snappōn- en de latere varianten met *snap- en *snabb-. De variant *snōp- kan op een preteritum van de 6e klasse *snōp wijzen (het Nl. type varen, voer). Rein mechanisch kan PGm. *snab- teruggaan op PIE *snobh-, maar er bestaan geen qua vorm en betekenis vergelijkbare woorden buiten het Germaans.
[Gepubliceerd op 22-03-2018 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sneuvelen* [omkomen] {snevelen, snovelen, sneuvelen [struikelen, wankelen, neerstorten] ca. 1430; de betekenis ‘omkomen’ 1637} iteratief van sneven.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

sneuvelen

Er zijn in het Nederlands vele werkwoorden die uitgaan op -elen en op -eren en die oorspronkelijk betekenden dat de werking door een verwant werkwoord genoemd, herhaaldelijk voorkwam. Zo is wiegelen: herhaaldelijk wiegen, schuifelen is: herhaaldelijk schuiven en bibberen: herhaaldelijk beven. Soms is echter dat karakter van herhaaldelijk iets doen verdwenen, bijvoorbeeld in sneuvelen, dat naast sneven staat. Nu betekent sneven eigenlijk: struikelen. Marnix zegt ergens in zijn psalmberijming: opdat mijn voeten nergens sneven. Van struikelen gaat sneven betekenen: vallen en vandaar: omkomen, sterven. Sneuvelen is dus eigenlijk: herhaaldelijk vallen, maar wij gebruiken het werkwoord voor: in de strijd omkomen. Ook van vallende bomen en van vensterruiten zegt men het.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sneuvelen ww., mnl. snōvelen, sneuvelen, snēvelen ‘struikelen, wankelen; vallen; ook in zedelijke zin’; daarnaast mnl. snoffelen (éénmaal), mnd. snubbelen ‘struikelen, vallen’. — Iteratief van sneven.

Of men de vormen snoffelen, snubbelen als een bewijs voor een ablaut *snuƀōn mag aannemen, is bij deze affectieve varianten zeer onzeker. Dan kan ook nnl. sneuvelen eerder een klinkervariant dan een ablaut zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sneuvelen ww., mnl. snōvelen, snȫvelen naast gewoner snēvelen “struikelen, wankelen, vallen”. Afl. van mnl. snēven (snōven, snȫven) “id., hakkelen, ten val komen, in ellende zijn, zondigen, sterven, dwalen, te kort komen (beide in zedelijken zin), slecht afloopen, in ’t voorbijgaan even aanraken”, verbonden met na en aen: “streven naar” (sterk en zwak; nnl. sneven). = mnd. snēven, snōven (en snāven; = snōven of = mhd. snaben?) “struikelen, vallen, hakkelen, verkeerd doen of spreken”, mhd. sneben naast snaben “struikelen, vallen, waggelen, ellende lijden”, ook “ijlen, springen, stooten”. Verder noorw. snaava “struikelen, langs iets scheren”. Mnl. snoffelen (hap. leg.), mnd. snubbelen “struikelen, vallen”, wijst er op, dat snōven, snȫven een ablautende bijvorm is, wsch. wel dialectisch beperkt, maar niet uit snēven ontstaan. Oorsprong onzeker. De combinatie met snavel is semantisch onaannemelijk; een combinatie met oi. nábhate “hij barst” is al te vaag, maar formeel mogelijk. De basis germ. sneƀ- duidde blijkbaar een glijdende, strijkende beweging aan. Vgl. nog laat-mhd. snappen “struikelen, waggelen”, nhd. dial. schnappen “id., hinken”, op associatieve betrekkingen tusschen de woordgroepen van snappen en sneuvelen wijzend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sneuvelen ono.w., Mnl. snevelen + Ndd. schnübbeln: frequent. van sneven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sneuvelen ‘omkomen’ -> Fries sneuvelje ‘omkomen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sneuvelen* omkomen 1620 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut