Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snert - (erwtensoep; waardeloze zaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snert zn. (NN) ‘erwtensoep; waardeloze zaak’
Nnl. spek, ... gekookt met kadjang, gebroken als snert ‘gezouten spek, gekookt met aardnoten, fijngemaakt als snert’ [1768; iWNT], soep van groene erwten, onder den naam van snert bekend [1806; iWNT], ‘waardeloze zaak e.d.’, veelal als voorvoegsel: het copieeren van ... snertlijsten [1892; Groene Amsterdammer], Gaarne zou ik deze poëzie snert noemen [1902; iWNT], dat je van zoo'n snertbeetje god weet wat ken koope [1908; Groene Amsterdammer], hij is een snert vent ‘kerel van niets’ [1907; Koenen].
Volgens WNT en NEW afgeleid van een werkwoord snerten ‘fijnkoken’, maar dat woord is pas een eeuw later opgetekend (WNT) en zal dus eerder van snert zijn afgeleid (Toll.). Wrsch. afgeleid van → snorren, met als oorspr. betekenis ‘sissen of pruttelen in de pan’.
Nnd. snirt ‘erwtensoep, dunne soep, iets van weinig belang’; nfri. snert ‘erwtensoep’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snert* [erwtensoep] {1768} fries snert, oostfries snirt; etymologie onzeker, vermoedelijk verwant met snars.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snert znw. v., eerst na Kiliaen, vgl. fri. snert ‘erwtensoep’, oostfri. snirt ‘erwtensoep’, dunne soep, iets van weinig belang’; maar nnd. snirt, snart, snurt, dial. nnl. snars ‘veest’. — Afl. van snerten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snert znw., nog niet bij Kil. = fri. snert “snert”, oostfri. snirt “id., dunne soep, iets van weinig belang”, ndd. snirt ook evenals snart, snurt, dial. ndl. snars “veest, wind”. In deze laatste bet. bij de basis snaxr- (zie snorren), wsch. in de andere bet. ook. Is mogelijk het ww. Zaansch snerten, snirten “door ’t koken zacht en gaar worden” (van groene erwten, waarvan men soep kookt) ouder dan ’t znw. snert en = oostfri. snirtjen naast snirren “sissen of pruttelen in de pan”? Zie nog snars.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snert v., + Ndd., Oostfri. snirt: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

snert s.nw.
1. Ertjiesop. 2. Kaf, onsin.
Uit Ndl. snert (1768 in bet. 1, 1902 in bet. 2), in bet. 1 wsk. van snerten 'goed kook, fynkook', en in bet. 2 mntl. 'n afleiding van dial. Ndl. snars 'ontsnapping van dermgasse, buikwind' en dus waardeloos soos kaf of onsin. Vgl. ook Fries snert, Oosfries snirt 'dun sop, iets van weinig belang', Nederduits snirt, snart, snurt 'wind'.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

snert In de verbinding een hap snert omstreeks de eeuwwisseling door Hollandse soldaten in Nederlands-Indië gebruikt voor ‘een glas jenever’. De verbinding is ook gehoord onder Nederlandse matrozen. Leo Lezer gebruikte de borrelnaam in 1920 in Cantinevertellingen. Humor en tragiek uit het oude K.N.I.L., als hij vertelt over een groepje drinkebroers en vechtersbazen van het garnizoen Tjimahi die zich omstreeks 1910 verenigden in een clubje:

Men had deze vereniging de toepasselijke naam gegeven van ‘snert-club’, niet zozeer omdat de leden ‘snert-kerels’ waren, maar omdat zij doorslaande bewijzen hadden gegeven, liefhebbers te zijn van ‘een hap snert’, een ‘hap scheepsgaren’ of een ‘dikkop’, allemaal namen voor hetzelfde genotmiddel [...]. Maar dat was niet de enige voorwaarde om lid van de club te worden. Men moest tevens flink gespierd zijn en er, letterlijk of figuurlijk gesproken, zijn hand niet voor omdraaien om een halter van 100 kilo te drukken.

Van Dale kent de uitdrukking sinds 1950, overigens in de verbinding ‘een lap snert’. Snert wordt van oudsher beschouwd als de rats, kuch & bonen van de marine. De borrelnaam zinspeelt op de voedingswaarde van jenever.
Vergelijk dikkop, scheepsgaren en snuf.

[Chambon 69; Coster 126; Dam 155]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snert ‘erwtensoep’ -> Fries snert ‘erwtensoep; waardeloze zaak’; Amerikaans-Engels snert ‘erwtensoep’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snert* erwtensoep 1768 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut