Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snee - (insnijding; plak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snee zn. ‘insnijding; plak’
Onl. snitha, in de vormen snetha, snethe, sneda alleen als toenaam, mogelijk voor een lakensnijder [1163-97; ONW]; mnl. snede ‘het snijden; afgesneden schijf’ in snede brots ‘een afgesneden stuk brood’ [1240; Bern.], diene sal hebben ghenen wasdoem van diere snede ‘die zal geen voordeel hebben van het afgesneden stuk (laken)’ [1284; VMNW], ‘door snijden gemaakte opening’ in Men mochte niet werden gheware ghenen snede ‘men kon geen insnijding zien’ [ca. 1410; MNW].
Ontstaan door het wegvallen van intervocalische -d- uit ouder snede, dat is afgeleid van de wortel van → snijden. In het Nederlands (en Nederduits) zijn twee oorspronkelijk verschillende vormen samengevallen.
Dat zijn enerzijds pgm. *snidi- (m.) ‘het snijden, het maaien e.d.’, waaruit verder: mnd. snede; ohd. snit (nhd. Schnitt); oe. snide; anderzijds pgm. *snidō- (v.) ‘afgesneden stuk of voorwerp’, waaruit verder: mnd. snede; ohd. snita (nhd. Schnitte); ofri. snithe, snid(e), snēthe, snēde (nfri. sneed).
Naast de gewone vorm snee is ook de oorspr. vorm snede nog in gebruik, maar dan vooral in samenstellingen en enkele vaste verbindingen, bijv. keizersnede ‘insnijding in de onderbuik t.b.v. een geboorte’, houtsnede ‘houtgravure’, zaagsnede ‘gleuf die een zaag maakt’, doorsnede ‘vlak waarlangs is doorgesneden’, kegelsnede ‘doorsnede van een kegel’, de gulden snede.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snede, snee znw. v., mnl. snēde m. v. Hierin zijn twee woorden samengevallen en wel 1. *snidi m. vgl. mnd. snēde, ohd. snit (nhd. schnitt) ‘het snijden, keep’ en 2. *snidō v. vgl. mnd. snēde, ohd. snita (nhd. schnitte) ‘afgesneden stuk’. Daarnaast abl. mnd. mhd. snīde (nhd. schneide) v. ‘het scherp van een mes’ en on. sneið oe. snœd v. ‘afgesneden stuk’, ohd. sneida v. ‘door een bos opengekapte weg’. — Afl. van snijden, zie ook: snedig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snede, snee znw., mnl. snēde m. v. In de bet. “het snijden, keep” = wgerm. *snidi-, ohd. snit (nhd. schnitt), mnd. snēde m. “id.”, in de bet. “afgesneden stuk” = wgerm. *snidô-, ohd. snita (nhd. schnitte), mnd. snēde v. “id.”. Ndl. diall. (Maastricht) hebben ’t oude geslachtsverschil naar de bet. bewaard. Met ablaut mhd. mnd. snîde (nhd. schneide) v. “’t scherp (van een mes, zwaard)” en on. sneið v. “afgesneden stuk”, ags. snæ̂d v. “id.” (misschien ook mnl. mnd. *snêde v. in gelijke bet., in spelling niet van snēde te onderscheiden), ohd. sneida v. “door ’t bosch uitgehouwen weg”, ’t Ofri. kent voor “snede” snede v. (snethe), snith (snithe?), snid(e) m. (ê, î?). Ags. nog snæ̂d m. “stuk land van zekeren omvang”, snâd “hakhout”. Alle bij snijden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snede, snee. Bij wgerm. *snidi- toevoegen: ags. snide m. ‘snede, doodslag, zaag’. — In plaats van “Ags. nog snæd m..... snâd ‘hakhout’” te lezen: “Ags. nog snæ̂d (snâd) m. ‘weg door het bos uitgehouwen, grens’”. Vgl. verder nog ags. snâð (o.?) ‘doodslag’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snede v., Mnl. id. + Hgd. schnitt en schnitte: van denz. stam als ’t meerv. imp. van snijden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

snei (zn.) snee, plak; Nuinederlands snede <1100>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

snaai, zn.: rimpel (in het gezicht), snee. Wellicht var. van snee < snede, ook met de bet. ‘kerf, keep, scherpe groeve in het gezicht’: ±1900 met harde sneden van neus naar mondhoeken (WNT).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sneetje ‘plak brood’ -> Papiaments snechi ‘plak brood’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal