Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snedig - (slagvaardig, gevat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snedig bn. ‘slagvaardig, gevat’
Mnl. snedich ‘slim, schrander, scherp van verstand’ [1477; Teuth.]; vnnl. snedig ook van uitingen, met d-syncope ook wel sneeg, in Met snege woorden ‘met scherpzinnige bewoordingen’ [1625; iWNT], dit snedig antwoordt [1696; iWNT].
Afleiding van snede ‘het snijden, insnijding’, zie → snee. De betekenis is vergelijkbaar met de overdrachtelijke betekenis → scherp in scherp van zin, scherpzinnig.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

snedig

Snedig is een afleiding van snede en snede hangt samen met het werkwoord snijden. De eigenlijke betekenis van snedig is dan ook: goed snijdend, scherp. Vondel zegt: Het snedigh kouter glimt en glijt door vette klay. Daarna gebruikte men het ook van schepen in de zin van: goed door het water snijdend, snel zeilend. Vervolgens bezigde men het van het menselijk verstand en daardoor kreeg het woord de betekenis: schrander. Thans komt het eigenlijk alleen nog voor in: een snedig antwoord, een snedige opmerking. Het kan dan weergegeven worden met: gevat, geestig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snedig bnw., later-mnl. snḗdicheit v. ‘scherpte, doordringende kracht’ (met ē of ê?), teuth. snēdich ‘slim, snugger’. Daarnaast mnd. sneidich, snēdich ‘slim’, mhd. sneitic ‘snijdend, scherp’ en verder vla. snijdig ‘snijdend, kloek, snedig’, mhd. snīdic ‘scherp, snijdend, krachtig, rijp’. Voor de bet. zie nnl. ter snede. — Afl. van snijden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snedig bnw., reeds later-mnl. blijkens snēdicheit (ê?) v. “scherpte, doordringende kracht”. Ook al Teuth. snedich “slim, snugger”. Ook mnd. snēdich “id.”? Hiernaast mnd. sneidich, snêdich “id.”, mhd. sneitic “snijdend, scherp”, event. mnl. *snêdich, dat mede in ons snedig kan zijn opgegaan, en mhd. snîdic “scherp, snijdend, krachtig, rijp”, vla. snijdig “snijdend, kloek, snedig”. Voor de bet. vgl. schrander.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snedig bijv., eig. scherp, doordringend: afgel. van denz. stam als ’t meerv. imp. van snijden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut