Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sneb - (snavel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sneb*, snebbe [snavel] {snebbe 1518, naast snabbe 1460} middelnederduits snabbe, snebbe, snibbe [idem], oudfries snabba [mond], naast middelnederlands neb(be), nyb [snavel], oudengels nebb (engels neb), oudnoors nebbi; van dezelfde stam als snavel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sneb, snebbe znw. v., sedert Kiliaen, die als ‘vetus’ ook snabbe vermeldt ‘snavel, vooruitstekende boeg’, mnl. snabbe, snebbe, snibbe ‘snavel, schoenpunt’, ofri. snabba ‘mond’, vgl. nog nnl. snabberen ‘snateren’, snebberen ‘voer zoeken in kroos door eenden. — De -bb- in deze woorden is een affectieve geminering (en dus niet snebbe < *snaƀjō) en staat dan naast snavel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sneb v., Kil. snebbe: uit *snaƀj-, van denz. wortel als snavel: z. ook neb.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sneb* snavel 1518 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut