Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snavel - (vogelbek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snavel zn. ‘vogelbek’
Mnl. snauel ‘snuit, bek, slurf’ [1287; VMNW]; vnnl. snavel, i.h.b. ‘bek van een vogel’ [1644; iWNT].
Het woord snavel past in een groep van West-Germaanse, en in mindere mate Noord-Germaanse zelfstandige naamwoorden met anlaut sn- voor ‘spits vooruitstekende kop of bek’ of voor ‘dieren die daardoor gekenmerkt worden’. In het huidige Nederlands zijn dat bijv.snoet, → snuit, en de diernamen → snaak, → snip, → snoek. Daarnaast staat een grote groep werkwoorden met dezelfde anlaut, met als gemeenschappelijk betekeniselement een min of meer krachtige en/of schoksgewijze ademhaling, zie → snuiven. In afzonderlijke gevallen kunnen beide groepen met elkaar verbonden worden, bijv. bij snavel (zie onder), snaak, snakken en snuit. De meeste van deze woorden zijn relatief jong en geen ervan heeft een overtuigende Indo-Europese etymologie. Er is dus sprake van een intern fenomeen binnen het Proto-Germaans en de afzonderlijke Germaanse talen.
Mnd. snavel; ohd. snabul ‘snuit, bek, snavel’ (nhd. Schnabel en door ontlening nzw. snabel); ofri. snavel, snawel, snaul ‘mond’ (nfri. snaffel, snabel). Mogelijk zijn deze woorden afgeleid van een werkwoord voor ‘snuffelen, begerig zoeken’: mhd. snaben ‘snuffelen’; on. *snefja ‘begeren’ (op grond van het teg.deelw. snafðr ‘begerig’), nijsl. snefja ‘naspeuren’, nno. snava ‘snuffelen’. Deze betekenis past goed bij de hierboven reeds genoemde groep van → snuiven.
Vormen zonder -l- zijn: mnl. snab ‘snuit, snavel’ [1477; Teuth.] (vnnl. snabbe, snebbe, nnl. vero. sneb); ofri. snabba ‘mond’ (nfri. snabbe ‘opening van een visfuik’). Hierbij horen misschien ook: mnl. nebbe ‘vogelbek, snavel’; nfri. neb(be) ‘id.’; oe. nebb ‘id.’ (ne. dial. neb); on. nef ‘neus, snavel’ (nzw. dial. näv) (onder invloed van de n- van → neus?).
Wrsch. verwant met Litouws snãpas ‘snavel; snuit’.
In het Middelnederlands was de betekenis van dit woord ‘snuit, bek, slurf e.d. van een dier’. Pas in het Vroegnieuwnederlands trad de betekenisvernauwing tot ‘bek van een vogel’ op.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snavel* [vogelbek] {1287} middelnederduits, oudfries snavel, oudhoogduits snabul eig. verl. deelw. van ∗snefja en verband dus niet duidelijk; vgl. het opgemerkte onder snip3 [schuit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snavel znw. m., mnl. snāvel m. ‘snavel, bek, snuit’, mnd. snāvel m. ‘snavel, snuit’, ohd. snabul (nhd. schnabel) ‘snavel’, ofri. snav(e)l m. ‘mond’, vgl. verder on. snafðr ‘begerig’, deelw. van een niet overgeleverd *snefja, vgl. echter nijsl. snefja ‘naspeuren’ en nzw. dial. snavla ‘begerig naar zich toe halen’, nnoorw. snava ‘snuffelen’ en nog nijsl. snefill, nnoorw. dial. snevl ‘zwakke geur’. — Zie: sneb.

De groep sn-f vertoont zich ook met andere klinkers: snuiven en snuffelen. Het hoofdelement is de klankgroep sn, die dan met verschillende vocalen en consonanten kan worden uitgebreid. Zonder te letten op de kleur van de klinkers kunnen wij onderscheiden de vormen
sn-bb zie: sneb
sn-p zie: snip
sn-k zie: snaak 2 en snoek
sn-t zie: snuit
sn-l zie: snel.
Daar naast deze woorden ook vormen zonder s optreden, zoals neb naast sneb, mag men wel met verwijzing naar woorden als neus en nes van een grondbetekenis ‘neus’ uitgaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snavel znw., mnl. snāvel m. “snavel, bek, snuit”. = ohd. snabul (nhd. schnabel) m. “snavel”, mnd. snāvel m. “id., snuit”, ofri. snav(e)l m. “mond”. Hiernaast sneb(be) znw., sedert Kil., die als “vetus” ook snabbe opgeeft, dit is uit ’t Westmnl. alleen in de overdr. bet. “een soort van úitstekende punt” bekend: = Teuth. snab “snavel, snuit”, mnd. snabbe “snavel, schoenpunt” (naast snebbe, snibbe), ofri. snabba m. “mond”. Met één b nog mhd. snaben, md. sneben “snuiven, kleppen”. Verwant met lit. snãpas “snavel”, misschien ook met oi. çnáp-tra- “mondhoek”, dat dan een dial. vorm voor *snáp-tra- zou zijn; idg. ḱn-: sḱn- > germ. sn- is wegens ’t lit. woord zeer onwsch. Zie nog neb, snibbig, snappen. Mnd. snabben “happen” zal wel evenals Kil. snabben “happen, bijten, blaffen, pakken” (reeds ouder blijkens snabbelinghe v. “gebabbel, beuzelpraat” in Marieken van Nijmegen) van snabbe gevormd zijn, onder invloed van snappen. Verwant is on. snafðr “een fijnen reuk hebbend”. Voor de bet. vgl. bij snappen; idg. snap- of snop- was wsch. = “happen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snavel m., Mnl. id. + Ohd. snabul (Mhd. snabel, Nhh. schnabel), Ofr. snavel + Lit. snapas (z. snuiven).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snavel ‘vogelbek’ -> Fries snavel ‘vogelbek’; Engels snaffle ‘paardenbit’; Noors snavl; snabel ‘snuit; slurf’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dialect hold snavla på deg! ‘hou je snavel!’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snavel* vogelbek 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut