Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snappen - (begrijpen; te pakken krijgen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snappen ww. ‘begrijpen; te pakken krijgen’
Mnl. snappen ‘babbelen, druk praten’ in dat hi selden swighet, hi en snapt altoes als een olimolen, die altoes rammelt ‘dat hij zelden stil is; maar hij babbelt voortdurend als een oliemolen die altijd rammelt’ [1437; MNW-P]; vnnl. snappen ‘snel pakken, grijpen’ [1573; Thes.], ‘te pakken krijgen’ in dats hem hebben gesnapt ‘dat ze hem hebben betrapt’ [1685; iWNT]; nnl. snappen ‘begrijpen’ in maar jij snapt er ook zoo niets van [1888; iWNT].
Wrsch. een van de formaties uit de onder → snuiven aangevoerde groep woorden voor acties waarbij sprake is van een min of meer krachtige en/of schoksgewijze ademhaling.
Mnd. snappen ‘happen, pakken, dichtklappen; babbelen’; mhd. snappen ‘id.’ (nhd. schnappen); nfri. snappe ‘id.’. Met expressief geminaat bij: oostelijk mnl. snapen ‘id.’ (zie → versnapering); mhd. snaben ‘id.’; on. snapa ‘id.’.
De betekenisontwikkeling van ‘grijpen, pakken’, overdrachtelijk ‘met het verstand grijpen’ naar ‘begrijpen’ komt vaker voor, bijv. bij → begrijpen, → vatten en buiten het Nederlands bijv. bij Engels grasp, Duits kapieren en Latijn comprehendere (Frans comprendre).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snappen* [happen, babbelen] {1437 in de betekenis ‘babbelen’; de betekenis ‘happen’ 1630} middelnederduits, middelhoogduits snappen, oudnoors snapa, met dezelfde ontstaansgrond als andere met sn anlautende woorden, die iets scherp vooruitstekends verklanken zoals snavel, sneb, snuffelen, snijden, snuiten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snappen ww., later-mnl. snappen ‘babbelen’, mnd. mhd. snappen ‘happen, snakken, grijpen naar, pakken, leuteren’ (nhd. schnappen), staat met expressieve -pp- naast nnl. dial. (oostel.) snāpen ‘happen naar’, vla. snaperen ‘snoepen’ (vgl. versnapering), on. snapa ‘happen’, nijsl. ook ‘klaplopen’. — Zie ook: snoepen.

Het woord staat naast snak(k)en. Ook hier wisseling van klinkers en wel *snipōn, waarvoor zie snipperen en *snuppon zoals in on. snoppa ‘snuit’ en mhd. snuppe ‘verkoudheid’. Naast de p kan echter ook ƒ optreden, waarvoor zie: snavel (zie J. de Vries PBB 80, 1958, 10). Het voornaamste element van het woord is dus de beginklank sn-. — Uit het nnl. is overgenomen ne. snap (W. de Hoog, Studiën over de Ned. en Eng. Taal en Letterkunde 1909, 216), reeds me. snappe (1495) ‘happen, snel sluiten van de kaken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snappen ww., later-mnl. snappen “babbelen”. = mhd. (md.) mnd. snappen “happen, snakken, grijpen naar, pakken, leuteren” (nhd. schnappen), eng. to snap “happen, grijpen” (of uit on. snapa?). Hierbij ohd. snephezunga v. “snik”. Zou bij de germ. basis snaᵬ-”happen” (zie snavel) kunnen hooren; aangezien echter hiernaast snap- in gelijke bet. heeft bestaan (waarvan ndl. dial. (oostelijk) snapen “happen naar”, oud-nnl. snāperinghe v. “het grijpen naar, trachten te krijgen”, vla. snaperen “snoepen”, nnl. versnapering, on. snapa “happen” en met ablaut snoepen), komt snapp- eer hiervan. Moeilijk vast te stellen is de verhouding van snap- tot de synonieme bases snaᵬ-, snak- (zie snakken) eenerzijds, anderzijds tot snip- (zie snip) en snup-, dat zich weer als auslautvariant bij snuᵬ- (snuffelen, snuiven) aansluit: de bett. “happen” en “snuffelen” staan in eng associatief verband met elkaar. Zie nog snauwen. Verwanten buiten ’t Germ. zijn voor snaᵬ-, maar niet voor snap- aan te wijzen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snappen. Oostmnl. snappen (na den adem) bewijst de bet. ‘happen, snakken’. Verdenius Tschr. 42, 137.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snappen o. en ono.w. (happen, babbelen), Mnl. id. + Ndd. id., Hgd. schnappen, Eng. to snap, en met één p dial. snapen, On. snapa = happen, ook snoepen: Germ. snap-, verwant met snavel, snippen, snuiven en wellicht ook met snakken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

snappe (ww.) 1. begrijpen 2. grijpen; Nuinederlands snappen <1573>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snappen ‘happen; babbelen; grijpen, grissen; begrijpen’ -> Engels snap ‘happen, bijten; snauwen; grissen; (neer)schieten; (dicht)klappen; (af)vuren; knallen; (af)breken, knappen’; Deens snappe ‘grijpen, grissen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors snappe ‘grijpen, grissen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds snappa ‘grijpen, grissen’ (uit Nederlands of Nederduits); Javindo snap ‘begrijpen’; Negerhollands snap ‘happen, snakken (naar lucht)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snappen* babbelen 1437 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut