Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snaphaan - (geweer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snaphaan [rover te paard, munt met de afbeelding van een ruiter, geweer] {1521 in de betekenis ‘munt’; de betekenis ‘rover te paard’ 1523; als ‘geweer’ 1695} < hoogduits Schnapphahn, sedert eind 15e eeuw met de betekenis ‘bereden rover’, eind 16e eeuw met die van ‘vuursteengeweer’ < middelhoogduits snap(pes) [straatroof], vgl. nederlands snappen [pikken] + hahn, vgl. middelhoogduits strūchhan [struikrover]; voor de secundaire betekenis ‘geweer’ moet gedacht worden aan het ‘snappen’ van de haan op de vuursteen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snaphaan znw. m. ‘geweer dat afgeschoten werd met een haan met vuursteen’, ook ‘vrijbuiter, rover’, samenstelling van de stam van snappen en haan. Beide woorden zijn uit het nhd. overgenomen, waar schnapphahn ‘rover te paard’ sedert 1494 voorkomt en ‘geweer’ sedert het eind der 16de eeuw. — Uit het nl. > ne. snaphance, snaphaunce (sedert 1538, vgl. Bense 423).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snaphaan znw. In ’t 16. eeuwsche Ndl., bij Kil., in ’t Mnd. en Mhd. (snap-han) komt nog niet de bet. “geweer” voor, maar slechts de blijkbaar oudere bet. “roover te paard”. Mnl. mnd. snaphāne m. ook = “een munt met een ruiter er op”. Dit woord kan bezwaarlijk anders zijn dan een samenst. van den stam van snappen en haan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snaphaan m., + Hgd. schnapphahn: zooveel als hanensnapper; vergel. Eng. catchpoll = boogschutter, gerechtsdienaar, van to catch = vangen en -poll = Fr. poule; vergel. ook Fr. synon. coquin, van coq = haan. Uit het Duitsch komt Fr. chenapan en Eng. snaphaunce.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

snaphaan (Duits Schnapphahn)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snaphaan ‘geweer’ -> Fries snaphaan ‘geweer’; Engels snaphance, snaphaunce ‘geweer’; Zweeds snapphane ‘Zweed die aan Deense zijde vocht in Zweeds-Deense oorlogen, oorspr. straatrover (met een geweer)’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † snapane ‘struikrover’; Indonesisch senapan, senapang ‘geweer’; Ambons-Maleis sinapan, snapang ‘geweer’; Atjehnees sinampang, seunampang ‘geweer’; Biaks sinapan ‘geweer’; Boeginees sinâpang ‘geweer’; Gimán snapan ‘geweer’; Jakartaans-Maleis senapan ‘geweer’; Javaans senapan ‘geweer’; Kupang-Maleis sinapan, snapang ‘geweer’; Madoerees sanapan ‘geweer’; Makassaars sinâpang ‘geweer’; Menadonees sinapan, snapang ‘geweer’; Minangkabaus cinapang, sanapang, sinapang ‘geweer’; Muna sinapa ‘geweer’; Nias sinafa ‘geweer’; Sahu sinapan ‘geweer’; Sasaks sĕnapan ‘geweer’; Soendanees sanapang ‘geweer’; Ternataans-Maleis sinapan, snapang ‘geweer’; Creools-Portugees (Batavia) sampang ‘geweer’; Berbice-Nederlands snapan ‘geweer’.

snaphaan ‘(verouderd) rover te paard; vent, snoeshaan, snuiter’ -> Fries snaphaan ‘vent, snoeshaan, snuiter’; Engels snaphance, snaphaunce ‘(verouderd) rover’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snaphaan geweer 1680 [F. van der Doe, Indianen in Zeeuwse bronnen] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut