Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snaar - (schoondochter, schoonzuster)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snaar2* [schoondochter, schoonzuster] {snare, snaer [schoondochter, schoonmoeder, schoonzuster] 1285} middelnederduits snare, middelhoogduits snuor, oudfries snore, oudengels snoru, oudnoors snor; buiten het germ. latijn nurus, grieks nuos, oudkerkslavisch snŭcha, oudindisch snuṣā [schoondochter] → snoer2.

snoer2* [schoondochter, hoer] {snoere [schoondochter, ontrouwe vrouw] 1451-1500} in de uitdrukking hoeren en snoeren [hoeren en lichtekooien], hoere en(de) snoere [lichtekooi] {1580} variant van snaar2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snaar 1 znw. v. ‘schoonzuster’, mnl. snare ‘schoondochter’, ook ‘schoonzuster, schoonmoeder’, mnd. snare, met een bevreemdend vocalisme naast mnl. snoere, mnd. snōr, mhd. snuor en ofri. snore, oe. snoru (on. snor, snør treedt eerst laat op en ontbreekt in de andere noordgerm. talen, is dus misschien ontleend), krimgot. schnos (voor overgeleverd schuos). — oi. snuṣa, gr. núos, lat. nurus, osl. snucha voert op een grondvorm *snusós (IEW 978).

Men kan moeilijk de vorm met Kluge-Mitzka 673 als een ablautsvorm beschouwen, daar men alleen de klinkers u en u verwachten kan. Daar het woord stellig een affectief karakter had kan men aan spontane klinkervarianten denken. Hier is vooral ook te denken aan de talrijke taboe-voorschriften, die ten aanzien van de aangetrouwde familieleden gegolden kunnen hebben. — Blijkens de kaart van P. J. Meertens, Taalatlas afl. 5, 7 komt dit woord voor in Zuid- en Noord-Holland, Friesland, Groningen en Drente. — Het verdwijnen uit de algemene taal zal wel te verklaren zijn door het samenvallen met het homoniem snaar 2, vooral nadat daarnaast de met schoon- samengestelde namen voor aangetrouwde familieleden opgekomen waren; hetzelfde dus als het geval was bij nhd. schnur, vgl. Fr. Debus, Deutsche Wortforschung in europäischen Bezügen 1, 1958, 24 vlgg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snaar II (schoonzuster), mnl. snare v. “schoondochter”, ook “schoonzuster, schoonmoeder”. = mnd. snare v. “id.”, zelden ook md. in de 15. eeuw. Met ā of â? Vgl. achterh. snaarske: westf. snȧr. Met opvallend a-vocalisme, met ’t oog waarop men ’t woord wel voor een vernederlandschten dialectvorm met ā̊ = ndl. ō uit het grensgebied van Nederland en Pruisen houdt: onaannemelijk, o.a. aangezien Maerlant ons woord al kent. Trots den onverklaarden vorm is snaar niet te scheiden van ohd. snur, snura (nhd. schnur), mnd. snōre, ofri. snore, ags. snoru, on. snor, snør v. “schoondochter”, germ. *snuzô-,= obg. snŭcha, oi. snuṣā́- “id.”. Hiernaast de o-stam gr. nuós, arm. nu (gen. nvoy) en de u-stam (naar socrus “schoonmoeder”) lat. nurus “id.”. Sommigen houden idg. *snuso-, de meesten echter *snusâ- voor den oudsten vorm. Ook alb. nuse “verloofde” wordt gewoonlijk hierbij gebracht. Later-mnl. (Minnen Loep) snoere v. “schoondochter” (nog in met hoeren en snoeren, sedert de l6. eeuw) is ontleend uit mhd. snur, ook snuor v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snaar 2 v. (schoonzuster), Mnl. snare, bijvorm van snoere = schoondochter + Ohd. snura (Mhd. snur, Nhd. schnur), Ags. snoru, Ofri. snore, On. snor + Skr. snusā, Arm. nu, Gr. nuós (d.i. *snysos), Lat. nurus (d.i. *snusus = schoonmoeder), Osl. snŭcha.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3snaar s.nw. (minder gebruiklik)
Geliefde, verloofde.
Uit Ndl. snaar (Mnl. snare) 'skoondogter, -moeder, -suster', of gewestelike Ndl. snaar (1867) 'gemoedelike woord vir o.a. 'n ou kennis'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

snaar I: bekende; kêrel; Ndl. snaar (Mnl. snare), “skoondogter/-moeder/-suster” (soms in ongunstige sin), dial. Ndl. ook op ml. pers. toeg., mntl. verb. m. It. nuora, Sp. nuera, Lat. nurus, Gr. nuos, “skoondogter; meisie; getroude vrou”.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Snaar, mnl. snare, schoonzuster; vroeger ook schoondochter, schoonmoeder, zooals zwager zoowel schoonzoon als schoonbroeder beteekende. Door een nog onverklaarde wisseling van a met indg. u samenhangend met ohd. snura, snora, ono. snor, ags. snora, lat. nurus, grie. nuos; afgeleid van zoon (indg. sunu), verg. het Zwabisch Söhnerin= schoondochter. Handvesten v. Amst. 552 b: “Dat alsulcke goeden ab intestato niet en souden mogen versterven aende Swagers ofte Snaren van de Testateurs ende anderen, niet wesende van haren bloede”; Westerbaen, Ged. 3, 423: “Veel moeders wenschten haer . . . Te hebben tot een snaer”; Huygens, Cost Mal vs. 240: “Behelpt u met de bless Van uw’ Nicht, van uw’ Snaer, van uw’ Meid” (nml. als gij van ouderdom kaal zijt). In deze citaten is de bet. schoondochter duidelijk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snaar* schoondochter 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut