Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

snaak - (grappenmaker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

snaak zn. ‘grappenmaker’
Vnnl. snaeck ‘spotnaam voor een man of jongen’ in een vreemden snaeck [1625; iWNT]; nnl. snaak ‘grappenmaker’ in In ieder Koffyhuis of Collegie vind men doorgaans een snaak by uitstek [1733; iWNT].
Een relatief jong woord en dus mogelijk niet inheems, maar ontleend aan Middelnederduits snake ‘slang, adder; grappenmaker’. In het Nederlandse taalgebied was dat woord zeldzaam en gewestelijk: Kiliaan (1599) markeert vnnl. snake ‘slang’ als Vlaams. Wvl. snake ‘slang’ (De Bo).
Bij mnd. snake verder alleen: nfri. snaak; oe. snaca ‘slang, adder’ (ne. snake); < pgm. *snaka(n)-. Daarnaast met andere ablaut on. snákr ‘ringslang’ (nno. snåk).
Mogelijk afgeleid van de wortel van pgm. *snakan- ‘kruipen, glijden’, waaruit alleen ohd. snahhan ‘id.’ (Kluge). Anderzijds passen deze woorden voor ‘slang’ ook bij de onder → snavel besproken groep woorden voor ‘(dieren met een) spits vooruitstekend snuit’: volgens Kroonen (2009) zijn pgm. *snakan- (waaruit nnl. snaak enz.), *snēk(k)an-/*sneg(g)an- (waaruit o.a. nhd. Schnake ‘mug’ en ne. snail < *snagila-) en *snōk(k)a- (waaruit → snoek) alle verwant, en terug te voeren op een ablautend Vroeg-Proto-Germaans paradigma nominatief *snēgō, genitief *snakkaz enz.
Volgens Grimm gaat het bij Nederduits snake in de betekenis ‘grappenmaker’ niet om een variant van snake ‘ringslang’, maar om een woord dat hoort bij de stam van → snakken in de betekenis ‘kletsen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

snaak* [grappenmaker] {1625} wordt afgeleid van het ww. snaken, nevenvorm van snakken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

snaak 1 znw. m., eerst sedert de 17de eeuw, maar ook nnd. fri., mogelijk bij dial. snaken naast snakken. In dat geval naar herkomst gelijk aan snaak 2.

snaak 2 znw. v., zuidnl. ‘slang’, Kiliaen snāke (Fland.), mnd. snāke, oe. snāca, on. snākr. — Behoort bij het ww. snaken ‘snuffelen’ en vgl. het abl. snoek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

snaak znw., nog niet bij Kil. Een ook ndd. en fri. woord. Wsch. bij mnl. Teuth. mhd. (md.) mnd. (overal 15. eeuw) snacken “babbelen”. Evenzoo nhd. schnake v. “grap”. Vgl. voor den vorm zuidndl. dial. snaken (sedert de 16. eeuw) “hunkeren”: ndl. snakken. Zie snakken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

snaak. Reeds in de 17e eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

snaak m., waaruit Hgd. schnake, van snakken: z.d.w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

snaak ‘grappenmaker’ -> Frans dialect snaque ‘iemand met een slechte naam, doortrapt iemand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

snaak* grappenmaker 1625 [WNT vies]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut