Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smoor - (damp, nevel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smoor* [damp, nevel] {1599 in de betekenis ‘rook’} afleiding van smoren. In de uitdrukking de smoor in hebben {1901-1925} kan ‘smoor’ bij ‘smoren’ behoren en de betekenis kan dan zijn ‘een gevoel van verstikking hebben’. Vgl. iemand de dampen aandoen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

smoor

Men treft het woord smoor aan in verbindingen als: smoordronken, smoorverliefd, smoorheet. Ook zegt men: hij heeft de smoor in voor: hij heeft het land. Wij hebben hier te maken met een woord dat familie is van het werkwoord smoren: doven, verstikken. Verwant zijn smoken en smeulen. Het is wel duidelijk dat het woord smoorheet het uitgangspunt vormt, in de betekenis: zo heet dat men stikt, verstikkend heet. Naar dat voorbeeld is smoordronken gevormd. Smoorverliefd daarentegen is een samentrekking uit smoorlijk verliefd. Typisch is dat men de woorden heet, dronken en verliefd wel eens weglaat en zegt: het is hier smoor, hij is smoor(lijk). Wanneer iemand op hoge leeftijd sterft, zegt men wel: hij is niet in de wieg gesmoord, verstikt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smoor znw. m. (zuidnl.) ‘damp, nevel, mist’, sedert Kiliaen ‘rook, damp’, afL van smoren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smoor znw., sedert Kil., die als bet. “rook, damp” opgeeft. Van smoren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

smoor- aanvangskomponent van byv. samestellings soos smoordronk, smoorheet, smoorkwaad, smoorverlief, smoorwarm.
In 'n hoë mate.
Uit Ndl. smoor- (1657 in die samestelling smoordronken, 1688 - 1696 in die samestelling smoorheet, 1731 - 1735 in die afleiding smoorlijk (verliefd)). Smoorkwaad en smoorwarm is in Afr. self saamgestel, lg. wsk. n.a.v. Ndl. smoorheet. In Ndl. beteken smoor- oorspr. 'só erg of buitengewoon dat 'n mens daarvan verstik of versmoor', maar weldra, soos in Afr., word smoor- 'n alg. intensiveerder wat 'in 'n hoë mate' beteken. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die samestelling smoorheet.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

smoor I: buitengewoon, erg; swaar; woedend; Ndl. smoor (s.nw.) in bet. “woede”, bv. in: de smoor inhebben/krijgen; (b.nw.) in bet. “erg”, verk. uit smoorlijk, bv. Ndl. smoorlijk verliefd” = Afr. smoorverlief; vir Ndl. smoordronken = Afr. smoordronk, gaan blb. almal terug op SNdl. smoor, “damp, mis, newel” (by Kil in bet. “damp, rook”) ouer bet. wsk. ong. “iets wat verstik”, v. ook smoor II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smoor ‘iets dat gesmoord is’ -> Indonesisch semur, smoor ‘vlees in kruidige sojasaus gesmoord’; Jakartaans-Maleis semur ‘rundergerecht met ketjap bereid’; Javaans semur ‘stoofgerecht’; Madoerees sēmmor ‘rundergerecht met ketjap’; Menadonees smor ‘rundergerecht met peper, ui, ketjap, e.d.’; Surinaams-Javaans semur ‘in kruiden gestoofd gerecht’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2087. De (of het) smoor inhebben,

d.w.z. het land hebben, de pest inhebben, het zeer slecht naar zijn zin hebben; de uitdr. is te vergelijken met de damp inhebben (zie no. 404; vgl. ndl. smoren = hd. dämpfen; zuidndl. smoor = damp, rook). Vgl. Jord. 145: Als die den smoor in had, kwastte hij 'n ieder aan; Menschenw. 13: De fent is daas, sarde Piet... hai hongerlaie... hep ie de smoor in... hai hongerlaie!... ken ie begraipe; H.v.Z. 83; Landl. 181: De mannen hadden er zelf 't smoor over in; St. L. 26: Heb je de smoor in, in hevige mate; De Vrijheid, 25 Jan. 1922, 4de bl. p. 1: Soms heb ik de smoor in om naar de comedie te gaan; Opprel, 83; fri. it smoor dêr oer yn ha, er erg kwaad om zijn; de smoor inkrijgen in Boefje, 25; Zevende Gebod, 111; Nkr. IV, 3 Sept. p. 2: Dan krijgen ze natuurlijk de smoor in, dat ze zich hebben laten verleiden; Groot-Nederland 1914 (Oct.) p. 413: Je het me gister ook telkens de smoor ingejaagd.... stik nou! 't Smoor an iets (gezien) hebben, er het land aan hebben; vgl. Landl, 75: 'k Heb er het smoor an gezien tegenwoordig; bl. 164: Die heeft 't smoor an zoo'n sta-in-de-weg.

2366. Verkikkerd zijn op,

d.w.z. verliefd, smoor (Jord. II, 40) zijn op; vernibbeld zijn op (Sewel, 866); eig. tot kikker geworden zijn, en daarna wegens de bekende paardrift van dat dier verliefd zijn; vgl. fr. une grenouille, een liederlijke meid, een geile deern. Eerst in de 19de eeuw is het bijv. nw. aangetroffenZie Frequ. II, 222.. Vgl. Molema, 446: verkikkerd wezen op iets of iemand, daarop verzot zijn; Handelsblad, 24 Oct. 1914 (avondbl.), p. 5 k. 1: Plum was tot over z'n enorm-groote, bijna misvormde ooren op z'n eigen vrouw verkikkerd; Lvl. 168: Dalma is straal verkikkerd op 'n kellnerin; H.v.Z. 23: En is zij op die deugniet verkikkerd? Groot-Nederland, Oct. 1914, bl. 433: 'n Frulle die op me verkikkerd is; Het Volk, 4 Juli 1914, p. 9 k. 4: De belangstelling van duizenden, traditioneel immer op een ‘standje’ verkikkerde Amsterdammers; 18 Dec. 1913, p. 5 k. 1: 'n Echte dikkert werd verkikkerd op 'n jongen vent; Kunstl. 140; 237: Op dat slanke lijf, dat fijne snuitje, was Fleury verkikkerd; Speenhoff, II, 93:

 Ach! jij bent toch zoo'n goeie dikkert,
 Waar ik altijd naar verlang;
 Want ik ben op jou verkikkerd
 Voor mijn heele leven lang.

Hiernaast een znw. verkikkerdheid in Peet, 356: Vroeger was zij heel trotsch geweest op de koude verkikkerdheid van dien ongevoeligen, toegespitsten kerel voor alles wat vrouw hiette.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut