Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smoking - (geklede herenjas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smoking zn. ‘geklede herenjas’
Nnl. smoking ‘korte, zwarte, geklede herenjas’ in een plooitje van zijn anders onberispelijken smoking [1891; Gids], ook ‘kostuum waarbij zo'n jas hoort’ in Of ik in smoking, gekleede jas of rok moet gaan [1897; WNT].
Verkorting van Engels smoking-jacket ‘zorgvuldig gesneden avondjasje van fraaie stof’ [1878; OED], letterlijk ‘rookjasje’, samenstelling van een vorm van het werkwoord smoke ‘roken’ [1137; BDE], zie → smoren, en jacket ‘geklede herenjas’, zie → jacquet. Het smoking jacket werd meestal aangetrokken na afloop van een diner als de heren in een gezamenlijke ruimte gingen roken, om zo de gewone kleding te behoeden voor rooklucht. In de tweede helft van de 20e eeuw kwam de smoking opnieuw in de mode, ditmaal als benaming voor een volledig herenkostuum dat vooral gedragen werd bij formele feestelijke gelegenheden.
Hetzelfde woord is ontleend in vele andere Europese talen, bijv. Frans, Duits, Zweeds en Noors smoking, Spaans esmoquin, Fins smokki, alle met dezelfde betekenis als in het Nederlands. Wrsch. is de verbreiding van het woord naar andere talen gegaan via het Frans. In het Engels zelf is deze benaming onbekend. Men spreekt in de oude betekenis van een smoking jacket; de jas van de moderne smoking heet in het Brits-Engels dinner jacket en in het Amerikaans-Engels tuxedo, ook wel verkort tot tux. Tuxedo [1889; BDE] is de naam van een Noord-Amerikaanse indianenstam die tot de Algonkin behoort. Naar deze indianenstam werd Tuxedo Park vernoemd, en hier werd in 1886 de Tuxedo Club opgericht, een chique club in de staat New York, waar de heren (tijdens het eerste herfstbal) in een tuxedo gekleed gingen.
Zie ook → dancing en → camping, woorden die op een vergelijkbare manier zijn gevormd en in het Engels niet in dezelfde betekenis bestaan.
campingsmoking zn. ‘(schertsend) trainingspak’. Nnl. campingsmoking ‘trainingspak’ in drie in campingsmoking geklede Hollanders [1995; Leeuwarder Courant]. In het Nederlands gevormde samenstelling, schertsend bedoeld, van → camping en smoking.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smoking [geklede herenjas] {1897} als zodanig geen eng., maar afgeleid van engels smoking jacket [avondjasje van fraaie stof en zorgvuldig gesneden], dat heren vroeger 's avonds thuis droegen, oorspr. een jasje dat werd gedragen om bij roken na het diner de andere kleding niet met de rooklucht te laten doortrekken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smoking znw. v. ‘mannenkleding als dracht bij diners’, een quasi-eng. woord, waarschijnlijk ter aanduiding van een officiële kleding voor partijen waar gerookt mag worden, vgl. ne. smoker ‘concert waar het roken geoorloofd is’ (sedert 1891).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

smoking (van Engels smoking-jacket)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smoking ‘geklede herenjas’ -> Indonesisch smoking ‘geklede herenjas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smoking geklede herenjas 1897 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut