Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smijten - (hardhandig gooien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smijten ww. ‘hardhandig gooien’
Mnl. smiten ‘met kracht treffen, slaan’ in daer met smeet Den here rechte vore int hoet, Dat hi vanden parde viel doet ‘daarmee trof (hij) de heer precies in zijn voorhoofd, zodat hij dood van zijn paard viel’ [1315-35; MNW-R], Dat gi mi dus hebt gesmeten ‘dat u mij zo (met een zwaard) hebt geslagen’ [1340-60; MNW-R], oft men v an dene wanghe smit ‘als men u op de ene wang slaat’ [1374; MNW-R]; vnnl. smijten ‘gooien, veelal met kracht’ in Dat niemant eenige Swanen-Eyeren uytten Neste en rove, ofte die Eyeren in stucken en smijten ‘dat niemand zwaneneieren uit het nest mag roven of die eieren in stukken mag gooien’ [1552; iWNT], Zoo menighen pijl als sy wt haer hant smeet ‘zoveel pijlen als zij met haar hand weggooide’ [1556; iWNT], smijt het Kruyt overboort ‘smijt het kruit overboord’ [1646; iWNT].
Os. -smītan (mnd. smitan); ohd. -smīzan (mhd. smīzen, nhd. schmeißen); ofri. smīta (nfri. smite); oe. smītan (me. smiten, ne. smite); got. -smeitan; nno./nzw. smita ‘smeren; ervandoorgaan’; < pgm. *smītan-. Over de oorspr. Germaanse betekenis bestaat onduidelijkheid. De oudste attestaties van het simplex zijn twee Oudengelse vormen in de betekenis ‘bevuilen, opsmeren’. Verder zijn in het Oudengels en in het Oudsaksisch, het Oudhoogduits en het Gotisch alleen afleidingen met de voorvoegsel bi- en ga- geattesteerd; deze hebben alle de betekenis ‘besmeren, bestrijken, bevuilen e.d.’. Het simplex verschijnt pas in het Middelnederduits, Middelhoogduits en Oudfries op grote schaal in de betekenis ‘gooien’ en in het Middelnederlands en het Middelengels in de betekenis ‘met kracht treffen, slaan’; pas in het Vroegnieuwnederlands krijgt smijten de huidige betekenis, die misschien is beïnvloed door het Nederduits.
Wrsch. is de betekenis ‘gooien, werpen’ de oorspronkelijke; via ‘met slagen of worpen een substantie op een oppervlak aanbrengen’ kunnen daaruit de andere betekenissen worden verklaard.
Zie ook → smet.
Verdere herkomst onduidelijk. Men kan pie. *smeid- (LIV 569) reconstrueren, maar er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans. Vennemann (2004) zoekt verband buiten het Indo-Europees, en stelt ontlening voor aan een voor-Indo-Europese, Semitische taal. Hij vergelijkt daarbij de op grond van Ugaritische teksten uit de 13e en 14e eeuw geabstraheerde Semitische wortels ṣmt ‘verslaan’ en ṣmd ‘slaan, treffen’. Ook → smid, volgens Vennemann oorspr. ‘metaalbewerker’, zou verwant zijn.
Lit.: T. Vennemann (2004), ‘Note on the Etymology of PGmc. *smītan and *smiþaz (E smite, smith, G schmeißen, Schmied, etc.)’, in: A. Hyllested e.a. (red.), Per aspera ad asteriscos: Studia Indogermanica in honorem Jens Elmegård Rasmussen sexagenarii Idibus Martiis anno MMIV (Innsbrucker Beiträge zur Sprachwissenschaft, 112), Innsbruck, 601-613

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smijten* [werpen] {smiten [slaan, schoppen, werpen] 1340-1350} middelnederduits smitan, oudfries smita [gooien], oudhoogduits smizan, oudengels smitan, gotisch bismeitan [besmeren]; de beide betekenissen zullen zijn voortgekomen uit die van ‘strijken’. Buiten het germ. grieks smaō [ik smeer in, wis af] (vgl. smaad).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smijten ww., mnl. smîten ‘slaan, werpen, hard rijden’, mnd. smīten ‘slaan, gooien’ ohd. smīzan ‘besmeren’, mhd. smīzen ‘besmeren, slaan’ (nhd. schmeissen), ofri. smīta ‘gooien’, oe. smītan ‘besmeren, bezoedelen’ (ne. smite ‘slaan’), nnoorw. dial. smītá ‘smeren’, got. bismeitan ‘besmeren’, gasmeitan ‘opsmeren’. — Om de zo uiteenlopende betekenissen ‘smeren’ en ‘slaan’ te verbinden, moet men niet uitgaan van een oorspr. ‘een strijkende beweging maken’, maar van een handeling, waarbij beide kunnen voorkomen; dat is het geval in de leemtechniek: eerst wordt de leem met kracht tegen de vlechtwand gesmeten, opdat zij diep tussen de twijgen indringt en daarna wordt het buitenoppervlak gladgestreken (zie AEW 381 onder meiðr). Wij kunnen dus uitgaan van de idg. wt. *smē; *smei ‘smeren, bestrijken’ (IEW 966-967).

De wt. *smē vinden wij in gr. smēn ‘smeren, afwissen’. Daarvan zijn afgeleid:
*smeik zie: smijten; van een nevenvorm *smeidh kan smijdig zijn ontstaan.
*smeik zie: smachten
*smeig zie: smeken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smijten ww., mnl. smîten “slaan, werpen, hard rijden”. = ohd. smîʒan “(be)smeren”, mhd. smîʒen “id., slaan” (nhd. schmeissen), mnd. smîten “slaan, gooien”, ofri. smîta “gooien”, ags. smîtan “besmeren, bezoedelen” (eng. to smite “slaan”), noorw. dial. smîta “smeren”, refl. “’em smeren”, got. bi-smeitan “besmeren”, ga-smeitan “smeren, strijken”. De oorspr. bet. was “een strijkende beweging maken”. Germ. smit-, idg. smid- is verlengd uit smi-; vgl. daarover smid; van een verlengde basis germ. smik- komen smeken en noorw. smikka “klappen”, mnd. smicke “voorste deel van een zweep, zweep”, mhd. (md.) smicke v. “zweep, slag, wond”, Teuth. smycke “zweep”. Idg. smi- kan verder weer met smê-, waarvan gr. smẽn “strijken”, gecombineerd worden (vgl. bij smaad). Zie nog smet. Verwantschap van smet (en smijten) met arm. mic (*smidjo-) “slijk” is minder aannemelijk. Ook is met smijten bezwaarlijk av. ham-maêd- “neergooien, onderdrukken” verwant; ook de verdere combinatie met lat. mitto “ik zend, werp” (*smidetô) is slechts een vage mogelijkheid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

smijten. Het is veiliger de groep van smid gescheiden te houden van die van smijten, niettegenstaande F.A.Wood Post-consonantal w 96 vlg. Niet navolgenswaard is ook de ald. opnieuw verdedigde onderscheiding tusschen twee germ. ww. *smîtanan, een = ‘slaan, gooien’ [met germ. -t- < -tt- < idg. -tw- waarbij dan smid met germ. Þ zou behoren en verder lat. mitto < *smîtwô(!)] en een = ‘smeren, strijken’ met germ. t < idg. d, en volkomen verwerpelijk de combinatie van dit laatste met gr. meidáō ‘ik glimlach’, lett. smaidît ‘vleien, glimlachen’ (zie bij sme[e]ken).
Over noorw. smikka ‘klappen’, mnd. smicke ‘(voorste deel van een) zweep’ enz. — waarbij limb. smikken ‘met een zweep slaan’ — zie bij smakken Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smijten o.w., Mnl. smiten = slaan, werpen + Ohd. smiʒan (Mhd. smîʒen, Nhd. schmeiszen), Ags. smítan (Eng. to smite). Ofri. smíta. Go. smeitan = bewerpen, besmeren: van denz. wortel als smid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

smiete (ww.) gooien; Middelnederlands smiten <1315-1335>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Smijten, van den Idg. wt. smid = smijten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smijten ‘werpen’ -> Sranantongo smèit ‘werpen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smijten* werpen 1340-1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

645. Goed geld naar kwaad geld gooien (werpen, smijten),

d.w.z. ‘nuttelooze kosten maken voor een doel, waarvan men voorzien kan dat het niet te bereiken is; als oninbare posten, een proces dat niet gewonnen kan worden, eene onderneming die onmogelijk slagen kan, enz.’ Zie Ndl. Wdb. IV, 1057; VIII, 638; Smetius, 110: Men moet gheen goet gelt naer quaet gelt werpen; Tuinman I, 225; Schuermans, 144: goê geld achter kwaâ geld smijten; Antw. Idiot. 462: goed geld naar kwaad geld dragen.

Onder kwaad geld verstaat men eigenlijk slechte munt, geld van geringe waarde (Antw. Idiot. 729; vgl. ook Claes, 127: voor kwaad spelen, om niets spelen, niet om geld spelen, tegenovergestelde van voor goed spelen), doch in een zegswijze als ‘daar is kwaad geld bij’, wil men er mede te kennen geven, dat eene bezitting of eene zaak met schulden bezwaard is of in Belg. Brab. dat men geld moet geven als schadevergoeding. Zie ook Antw. Idiot. 462: ievers kwaad geld van betalen, met eene geldboete gestraft worden; Tuerlinckx, 353: kwaad geld, onkosten, verhooging op de koopsom; De Bo, 352; Taal en Letteren XIII, 136; Waasch Idiot. 380 a: kwaad geld, geld waar geen profijt van komt, en vgl. nog het Friesch: kwea jild, geld, dat men waarschijnlijk niet zal terug ontvangen, ook verlies bij een verkoop; goed jild by kwae jild lisse; fr. mettre du bon argent contre du mauvais; hd. das gute Geld dem bösen nachwerfen; eng. to throw good money after bad.

1584. Met de muts naar iets gooien (werpen of smijten).

In de 17de en 18de eeuw beteekende dit: er niet naar kunnen talen, ergens niet aan behoeven te denken; het kwijt zijn; zie V. Moerk. 225; Schijnh. 430; Van Effen VI, 168; Tuinman I, 250. Tegenwoordig beteekent deze zegsw. iets trachten te verkrijgen of er een slag naar slaan; er naar gissen; zie Harreb. II, 110; Nw. School VIII, 296; Handelsblad, 22 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 5 k. 1: Vandaar een voortdurend conflict tusschen importeurs en den fiscus. Men gooit er met de muts naar. Zoo werd een onechte oudheid door den fiscus verbazend hoog getaxeerd; Molema, 386 b; d'r is gein smieten mit de muts na, er is geen bijkomen aan, 't is ver boven of buiten mijn bereik, ik kan er niet naar talen; evenzoo bij Gunnink, 209; fri. dêr is gjin smiten mei de mûtse nei, daarover weet ik mijn groote verwondering niet uit te drukken; ook: daar is niet tegen te bolwerken; oostfri. d'r is gên schmîten mit de mütse na, 't is niet te bekomen; syn. van er is geen gooien naar (o.a. C. Wildsch. II, 144); in het fri.: hy docht er mar in smeet mei de mûtse nei, hij raadt er maar in den blinde op los, zonder iets van de zaak te weten. In den zin van ‘een gooi naar iets doen’ (vgl. no. 714) hoort men ook wel: ‘met zijn petje ergens naar gooien’,Ndl. Wdb. XII, 1397. wat doet vermoeden, dat de uitdr. aan het een of ander jongensspel is ontleend. Zie Ndl. Wdb. IX, 1279; Zuid-Limb.: met zijn klak naar iets slaan, zooals een jongen naar een vlinder.

1674. Iets onderste boven gooien (of smijten),

d.i. wat het onderst ligt naar boven, bovenop gooien, iets overhoop gooien; mnl. dat op neder werpen of dat op dat neder werpen. Vgl. voor het Mnl. Denkm. III, 200, 11: Het wart gheleit doverste steen daer donderste lachVgl. Al kwam de onderste steen boven (o.a. in Mensçhenw. 31; 518).; Froissart, 146: Twaer beter dat Gent ommekeert waere ende dat dat onderste van der stede upperste lageAangehaald in het Mnl. Wdb. V, 428-429.; Hooft, Ged. I, 93, 27: Wat geldt mij naem en eer? of dat jck Priams stadt het onderst boven keer? Halma, 405: Alles het onderste boven smijten, mettre tout sans dessus dessous; evenzoo bij Sewel, 548; Antw. Idiot. 1928: alles leet er 't onderste boven; Waasch Idiot. 472. Ook wordt in Loquela, 352 een znw. onderstebovenheid vermeld in den zin van ‘tegenspoed’; fri. de boel ûnderst-boppest helje, den boel overhoop halen. Hiernaast in de 17de eeuw het bovenste onder (of naar beneden) keeren, - werpen; het bovenste raakt onder; zie Ndl. Wdb. X, 1474; III, 908 en vgl. Vondel, Lucifer, 2811: Wat blyft 'er in zyn' stant? het bovenste raeckt onder. In 't fr. mettre une chose sens dessus dessous.

1944. Roet in het eten gooien of smijten,

d.w.z. iemands genot vergallen, den boel bederven. Vgl. Handelsblad, 6 Mei 1914, p. 2 k. 3 (ochtendbl.): De scheidende regeering heeft in hare verbittering over den uitslag nog wat roet in het eten gegooid voor hare onbekende opvolgers; 17 Sept. 1914, p. 2 k. 2 (ochtendbl.): De eerste nederlaag van de Oostenrijkers bij Lemberg wierp wat roet in het eten; De Telegraaf, 30 Jan. 1915 (avondbl.), p. 5 k. 6; Nederland, 1914 II, 17; S.M. II: Nu wordt 't 'n mooie boel, die leelijke rooie Haantjepik van twee hoog boven gooit roet in ons eten; De Telegraaf, 29 Nov. 1914 (ochtendbl.), p. 6 k. 6: De betonwerkers die roet kwamen strooien in de plannen gemaakt omtrent de opening; Morks Magazijn, Juli 1914, p. 46: Wel is waar mengden de anderen dikwijls roet in 't eten, maar daarin berustte hij; Het Volk, 11 Mei 1914, p. 2 k. 2: De ‘Standaard’ gooit nu een dikke bonk roet in het koalitie-eten; 29 April 1914, p. 1 k. 4: Vliegen wierp roet in 't eten van de heeren; De Arbeid, 4 Febr. 1914, p. 3 k. 2: Niets deugde dan alleen zij, die trouw het hunne hadden gedaan om geen roet in 't potje van den Zeemansbond te gooien; 25 Febr. 1914, p. 3 k. 3: Zulke dingen houdt men echter achterbaks om geen roet in het eten te werpen; 11 Juli 1914, p. 3 k. 2: Daar gooien de kiezers van V. me waarachtig roet in den sociaaldemocratischen hutspot; De Amsterdammer, 26 April 1914, p. 7 k. 5; Nkr. I, 17 Nov. p. 2: Er werd echter roet in 't eten gegooid door de hebzucht der inboorlingen; VIII, 4 April p. 4; IV, 19 Juni p. 4 (roet in de rijstenbrij gooien); Van Looy, Feesten, VI: Dat er ook altijd menschen moeten zijn die roet komen doen in het eten; Handelsblad, 15 Jan. 1922 (O), p. 7 k. 2: De griep heeft roet in het eten van de Belgische elftalcommissie geworpen; Boekenoogen, 844: er is roet in 't eten, de zaak is niet in orde, er zijn moeilijkheden; ook: er is ruzie; Afrik. dit was roet in sy kos. Syn. een haar in de boter (zie Het Volk, 5 Dec. 1913, p. 1 k. 4).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut