Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smid - (metaalbewerker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smid zn. ‘metaalbewerker’
Onl. smith ‘smid’ alleen in toponiemen, bijv. Smithacker, letterlijk ‘Smid-akker’ (omgeving Gendringen, Gelderland) [1138-39; Künzel], en in de samenstelling smithescirethe ‘gesmeed sieraad’, letterlijk ‘smidssieraad’ [ca. 1100; Will.]; mnl. smet [1240; Bern.], smit, zeluersmit [1291; VMNW], smid [1294; VMNW].
Een algemeen Germaans woord voor ‘metaalbewerker’. De oudste Germaanse vindplaatsen van dit woord en van zijn afleidingen, vooral in het Oudnoords en het Gotisch, wijzen erop dat het woord is ontstaan uit een algemenere betekenis ‘handwerksman, vervaardiger’, zoals ook klassiek Latijn faber ‘handwerksman’ later vooral ‘smid’ is gaan betekenen.
Os. -smið (mnd. smit, smet); ohd. smid (nhd. Schmied); ofri. smith (nfri. smid); oe. smiþ (ne. smith); alle ‘smid’; on. smiðr ‘smid, houtbewerker’ (nzw. smed), ljóða-smiðr ‘verzensmid, dichter’, skósmiðr ‘schoenmaker’; < pgm. *smiþu-; got. aiza-smiþa ‘smid’ (met eerste lid aiza ‘brons’) < pgm. *smiþan-.
Hiervan afgeleid is het werkwoord *smiþōn- ‘smeden, vervaardigen e.d.’, waaruit: mnl. smeden (zie onder); os. smiðon (mnd. smeden, smedden); ohd. smidōn (nhd. schmieden); oe. smiþian (ne. smith); got. ga-smiþon. Daarnaast ablautend on. smíða ‘vervaardigen uit hout of metaal’ (nzw. smida).
Een andere afleiding is pgm. *smiþjō- ‘werkplaats van een smid’, waaruit: mnl. smisse (zie onder); os. smiða (mnd. smede, smedde); ohd. smitta (nhd. Schmiede met ie o.i.v. schmieden); ofri. smithe (nfri. smidte); oe. smiþþe (ne. smithy); on. smiðja (nzw. smedja).
Herkomst onduidelijk. In het Germaans is weliswaar de persoonsaanduiding primair, maar pgm. *smiþu- < pie. *smi-tu- zou zelf afgeleid kunnen zijn van een werkwoord. Van een hierbij behorende wortel *smei- ‘snijden, hakken, vervaardigen?’ zijn echter verder geen zekere sporen bekend. Men noemt meestal Grieks smī́lē ‘mes, stift, lancet’ en sminúē ‘tweetandige vork’, maar van beide woorden is de etymologie eveneens onduidelijk. Zie ook → smijten.
Door rekking van -i- in open lettergreep kregen de verbogen naamvallen in het Middelnederlands een -e-: mnl. smede (datief), smeets (genitief). In sommige dialecten ontstond door analogiewerking een nominatief smet. Zowel smet als smeets komen ook als familienaam voor.
smeden ww. ‘metaal bewerken, vervaardigen uit metaal’. Onl. smithon ‘id.’ in halsziretha, thie ther gesmithot sint ‘halssieraden die daar gesmeed zijn’ [ca. 1100; Will.]; mnl. smeden ‘metaal bewerken’ [1240; Bern.]. Afleiding van smid. ♦ smidse zn. ‘werkplaats van een smid’. Onl. smiththa als verbasterde glosse s. mithor ‘smidsovens’ [950-1000; ONW]; mnl. smisse ‘werkplaats van een smid’ [1240; Bern.], smitse [1343-46; MNW]; vnnl. smidse [1599; Kil.]. Germaanse afleiding van smid, zie boven. De klankwettige vorm mnl. smisse maakt onder invloed van smid plaats voor de jongere vorm smidse.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smid* [metaalbewerker] {in de vroegere Gelderse terreinnaam Smithacker 1138-1139, smit, smet, smid [smid, timmerman] 1275-1276} oudsaksisch, oudengels smið, oudhoogduits smid, oudfries smith, oudnoors smiðr, gotisch -smiþa; vgl. gotisch maitan [snijden], grieks smilè [mes, stift], sminuè [houweel]; de oorspr. betekenis is niet ‘smeden’, maar ‘bewerken’, waarschijnlijk van hout.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smid znw. m., mnl. smit, smet ‘smid, timmerman’, os. smið, ohd. smid (nhd. schmied), ofri. smith, smeth ‘smid, metaalbewerker’, oe. smið ‘smid, handwerksman’ (ne. smith), on. smiðr ‘smid, handswerkman, bouwmeester’, vgl. got. aizasmiþa ‘metaalbewerker, smid’. — Met t-afl. van de idg. wt. *smēi: *smī ‘houtsnijden, met een scherp werktuig bewerken’, waarvan verder alleen te noemen zijn gr. smī́lē ‘snijmes’, smĭnúē, smĭnús ‘hakmes’ (IEW 968). — Mogelijk werd deze woordgroep oorspr. voor het bewerken van hout gezegd en pas later bij het bekend worden van de ijzersmeedkunst overgedragen op de smid; daarop zou ook got. aiza-smiþa kunnen wijzen. — Zie: smeden en smidse.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smid znw., mnl. smit (smet) (d) m. “smid”, ook “timmerman”. = ohd. smid (nhd. schmied), os. smið, ofri. smith, smeth m. “smid, metaalbewerker”, ags. smið m. “smid, handwerksman” (eng. smith), on. smiðr m. “id., bouwmeester”; hierbij nog got. aiza-smiþa m. “metaalbewerker, smid”. De oorspr. bet. van *smiþa(n)-, *smiþu- was blijkbaar niet “smid”, maar algemeener “handwerksman”, wsch. nog vroeger “hakker, houwer”. Vermoedelijk toch zijn gr. smī́lē “mes, stift”, sminúē “houweel” verwant (bezwaarlijk ook obg. mědĭ “metaal”). Uit ’t Germ. vgl. smeden, smijdig en ohd. smeidar m. “artifex”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

smijten. Het is veiliger de groep van smid gescheiden te houden van die van smijten, niettegenstaande F.A.Wood Post-consonantal w 96 vlg. Niet navolgenswaard is ook de ald. opnieuw verdedigde onderscheiding tusschen twee germ. ww. *smîtanan, een = ‘slaan, gooien’ [met germ. -t- < -tt- < idg. -tw- waarbij dan smid met germ. Þ zou behoren en verder lat. mitto < *smîtwô(!)] en een = ‘smeren, strijken’ met germ. t < idg. d, en volkomen verwerpelijk de combinatie van dit laatste met gr. meidáō ‘ik glimlach’, lett. smaidît ‘vleien, glimlachen’ (zie bij sme[e]ken).
Over noorw. smikka ‘klappen’, mnd. smicke ‘(voorste deel van een) zweep’ enz. — waarbij limb. smikken ‘met een zweep slaan’ — zie bij smakken Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smid m., Mnl. smit, Os. smith + Ohd. smid (Mhd. smit. Nhd. schmied), Ags. smiđ (Eng. smith), Ofri. id., On. smiđr (Zw. en De. smed), Go. smiþa + Gr. smílē = beitel, sminúē = bijl: Idg. wrt. smei̯ = glad maken (z. smijten).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

smeed (zn.) smid; Vreugmiddelnederlands smith <1138-1139>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

smed smid (Verspreid in Vlaanderen, Zeeland, Brabant, Antwerpen en het noordoosten van Noord-Brabant). Niet volkomen hetzelfde woord als nl. smid ‘id.’. Het woord met i was in het germaans een u-stam, dat met e was een a(n)-stam.
FAND krt 65.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Smid, van den Germ. wt. smi = in metaal arbeiden, smeden. Hierbij smijdig: wat gemakkelijk smeedbaar is, dus niet stug, maar week, buigzaam. De werkplaats van den smid heette smisse, Got. smithjo (van smithon = smeden); in ’t Ohd. smitta, waarvan de tt bij ons in ss overging; vgl. klit en klis. Later bracht men dit smisse, dat dus van ’t w.w. zelf is afgeleid, in verband met smid, en zoo ontstond smidse.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smid ‘metaalbewerker’ -> Creools-Portugees (Batavia) smit ‘metaalbewerker’; Creools-Portugees (Batavia) smit ‘metaalbewerker’; Munsee-Delaware šǝmát ‘metaalbewerker’; Unami-Delaware šǝmit ‘metaalbewerker’; Negerhollands smid ‘metaalbewerker’; Papiaments smet (ouder: smid) ‘metaalbewerker’; Sranantongo smeti (ouder: smitti) ‘metaalbewerker’; Saramakkaans simítima ‘metaalbewerker’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smid* metaalbewerker 1138-1139 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal