Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smeulen - (zacht gloeien of branden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smeulen ww. ‘zacht gloeien of branden’
Mnl. smolen ‘gloeien’ in Hi hanct ant cruce ... Siet sine wonden smolen ‘hij hangt aan het kruis; zie zijn wonden gloeien’ [1380-1425; MNW-R]; vnnl. smeulen ‘gloeien’ in Met backen, brouwen, met smeulen en smoken [ca. 1600; iWNT], In den mensch ... Smeulen de voncken van het goddelijcke vier [1619; iWNT], smeulende asch [1625; iWNT begruizen], overdrachtelijk in Een zaak die lange gesmeult heeft, en zich althans geopenbaart ‘... en zich thans heeft geopenbaard’ [1641; iWNT zeker I].
Alleen corresponderend met nnd. smöln ‘dampig zijn, stuiven; smeulen’. Wrsch. zijn ook me. smellen, smullen, smillen ‘geur waarnemen of verspreiden’ (ne. smell) en me. smolder ‘walm, rookwolk; smeulend vuur’ (ne. smoulder ‘id.’, (ww.) ‘smeulen, gloeien’) verwant, maar de details zijn onduidelijk. Zie ook → smoren.
Ook de verdere herkomst is onduidelijk. Er is misschien verwantschap met: Litouws smil̃kti ‘smeulen’; Russisch smolá, Pools smola ‘hars, teer, pek’, Russisch smálit' ‘branden, verzengen’; Middeliers smāl, smōl, smūal ‘vuur, gloed’. In dat geval is smeulen mogelijk verwant met Litouws smélkti ‘pijn doen’ en → smart.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smeulen* [zacht branden] {smolen, smeulen 1340} nederduits smöln, middelengels smolderen (engels to smoulder), het laatste uit ouder smortheren < smorther, oudengels smorian [smoren, verstikken] (vgl. smoren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smeulen ww., mnl. smōlen ‘smeulen, schroeien’, mnd. smȫlen ‘dampig zijn, stuiven’, nnd. dial. smȫln ‘smeulen; dampig zijn, stuiven’, vgl. me. smolder, ne. smoulder. Daarnaast met ô vla. smoel ‘zwoel’ (indien de klinker hier niet door zwoel beïnvloed zou zijn) vgl. Kiliaen smul ‘zwoel’, me. smul, smel ‘geur’ (ne. smell). — miers smāl, smōl, smūal v. ‘vuur, gloed, as’, osorb. smalić ‘zengen’, kleinruss. prysmalýty ‘aanbranden’, met k-suffix: lit. smilkstù, smil̃kti ‘licht roken of dampen’, smilkýti ‘roken’ (trans) (IEW 969), waarnaast een vorm met r in smoren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smeulen ww., mnl. smōlen (smȫlen) “gloeien”. = ndd. dial. smȫln “smeulen”, ook “dampig zijn, stuiven”; vgl. ook eng. to smoulder “smeulen”. Een formantische variant van smoren? Opvallend is Kil., nog vla. smoel “zwoel”, bij Kil. ook smul: wsch. jonge woorden, wijzend op associatieve betrekkingen tusschen de basis van smeulen en die van zwoel. Vgl. ook ndd. smälen, smelen “smeulen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

smeulen. Buiten het Germ. zijn wsch. verwant russ. smálíť, smolit’ ‘zengen, schroeien’, lit. smil̃kti ‘een zwakke damp of rook afgeven’, smilkýti ‘roken (trans.)’, eventueel ook russ. smolá ‘hars’, lett. smeli mv. ‘harsig hout’, minder wsch. arm. mełc ‘roet’. Petersson Ar. u. arm. St. 135, Z. slav. u. vergl. Wortf. 41 vlg.; Endzelin KZ. 52, 119. — Kil. smoel zou germ. ô kunnen hebben, maar is eerder — zoals in het art. — uit invloed van zwoel te verklaren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smeulen ono.w., Mnl. smolen + Ndd. smelen, dial. Hgd. schmolen. Eng. to smoulder: wel bijvorm van smoren (z.d.w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smeulen ‘zacht gloeien of branden’ -> Fries smeule ‘zacht gloeien of branden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smeulen* zacht branden 1340 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut