Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smet - (vlek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smet zn. ‘vlek’
Mnl. smette ‘vlek in een tekst, doorhaling’ [1240; Bern.], smette, smitte ‘vlek, vuile plek, zonde; ziekte, gebrek’ in datmen dien garne soude gheuen .i. smitte ‘dat men daarop graag een merkteken zou aanbrengen’ [1282; VMNW], .i. ram lam. Sonder smette ‘een mannelijk lam zonder gebrek’ [1285; VMNW], dattet alle smette af dwaet die .i. wollin cleet ontfaet ‘dat het elke vlek wegwast die op een wollen kleed ontstaat’ [1287; VMNW]; vnnl. smet.
Mnd. smitte, smette (door ontlening nzw. smitta) (smet ‘beslag’ is wrsch. een erfwoord); ohd. smiz, mhd. smitze; nfri. smet; oe. smitte; alle ‘vlek, vuile plek’, bij uitbreiding ook wel ‘gebrek, ziekte’; < pgm. *smita-, *smitjō-. Hierbij hoort pgm. *smittan-, waaruit: mnl. smetten, smitten ‘bevlekken, bevuilen’, zie onder; en in dezelfde betekenis: mnd. smitten; ohd. (bi-)smizzōn (mhd. smitzen, nhd. schmitzen); nfri. smette; oe. smittian (ne. dial. smit). Wrsch. is het werkwoord oorspr. een intensivum bij → smijten < pgm. *smītan-, en zijn de zn. hiervan afgeleid.
smetten ww. ‘bevlekken; vuil worden’. Mnl. in soe smit gherne witten saken ‘zij (een vlieg) bevuilt graag witte dingen’ [1287; VMNW], maar eerder al de afleiding besmetten ‘bevlekken, bevuilen; met een ziekte besmetten’ in die met den lazers euele besmettet sin ‘die met lepra besmet zijn’ [1236; VMNW], die sonden Die ons besmetten ‘de zonden die ons bezoedelen’ [1265-70; VMNW]. Afleiding van smet, zie boven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smet znw. v., mnl. smitte, smette v. ‘smet, vlek, ziekte, lichaamsgebrek’, mnd. smitte, smette v. m. ‘smet, vlek, vuil’, mhd. smitze v. ‘smet, vlek’, oe. smitte v. ‘smet, vlek’. — Afl. van het ww. smetten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smet znw., mnl. smitte, smette v. “smet, vlek, ziekte, lichaamsgebrek”. = mhd. smitze v. “smet, vlek”, mnd. smitte, smette v. (m.) “smet, vlek, vuil”, ags. smitte v. (smitta m.?) “smet, vlek”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

smet. Ags. smitte v. (niet smitta m.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smet v., Mnl. smette, smitte + Mhd. smi (Nhd. schmisz), Ags. smitte, Zw. smitta, De. smitte: van denz. stam als ’t meerv. imp. van smijten.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Smet, van smijten: wat gesmeten wordt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smet ‘vlek, spat; (verouderd) besmetting’ -> Deens smitte ‘besmetting’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds smitta ‘besmetting, infectie’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut