Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smelten - (vloeibaar (doen) worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smelten ww. ‘vloeibaar (doen) worden’
Mnl. smelten ‘vloeibaar doen worden’ [1240; Bern.], ‘vloeibaar worden’ Tseluer smalt te hand ‘het zilver smolt meteen (van de hitte)’ [1285; VMNW], si smelte van minnen ‘ze zou smelten van liefde’ [1276-1300; VMNW], ook ‘ontlasting hebben, schijten’ in die beuers pleghen bi naturen alse ene gans te smeltene ‘de bevers plegen van nature te schijten als een gans’ [1287; VMNW].
Sterk werkwoord van de derde klasse, dat is samengevallen met het ervan afgeleide causatief, en daardoor van oudsher zowel overgankelijk als onovergankelijk is.
Os. smeltan (mnd. smelten); ohd. smelzan, smelzen (nhd. schmelzen); nfri. smelte; ozw. smælta (nzw. smälta); < pgm. *smeltan- (sterk), *smaltijan- (causatief). Bij deze stam horen met ablaut West-Germaans *smalta- ‘gesmolten vet’, zie → smout, en *smalti- ‘smeltglas’, zie → smalt.
Nevenvorm met s-mobile van pgm. *meltan- ‘smelten’, waaruit in het Germaans slechts oe. meltan (ne. melt); daarbij hoort nog een causatief malt-jan- ‘vloeibaar doen worden’, waaruit oe. (ge-)myltan; on. melta (nzw. multen ‘vergaan, verrot’); got. ga-maltjan.
Verwant met: Grieks méldesthai ‘smelten’; < pie. *meld- ‘zacht worden’ (LIV 431). Onzeker is verwantschap met de bij → mout genoemde woorden voor ‘week, zacht, week maken e.d.’ uit pie. *meld-, *mold-, *mld-.
Smelten in de betekenis ‘schijten’ was in het Middelnederlands vooral West-Vlaams. Het is ontleend als Oudfrans esmeltir ‘schijten (van vogels)’ [1165-90; FEW] (Middelfrans (e)muetir, daarna verouderd). Het is bij valkeniers nog tot in het begin van de 20e eeuw aangetroffen (WNT), evenals het ervan afgeleide zn. smeltsel ‘uitwerpselen van jachtvogels’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smelten1* [vloeibaar (doen) worden] {1201-1250} oudsaksisch smeltan, oudhoogduits smelzan, naast oudengels meltan, oudnoors melta; buiten het germ. latijn mollis [zacht], grieks meldein [doen smelten], oudiers meldach [aangenaam], oudkerkslavisch mladŭ [jong], oudindisch mṛdu- [zacht].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smelten 1 ww., mnl. smelten (sterk) ‘smelten’, os. smeltan, ohd. smelzan (intrans.), smelzen (trans.), nhd. schmelzen, nnoorw. smelta, nde. smelte, nzw. smälta. Daarnaast oe. meltan, on. melta ‘smelten’. — gr. meldō ‘smelten’. — Zie: mout en misschien ook: milt. — De basis *(s)meld is een afl. van *mel, waarvoor zie: malen. — > ne. smelt (sedert 1543, maar het znw. smelter reeds 1455, mogelijk echter ook uit het nd., vgl. Bense 417).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smelten ww., mnl. smelten (sterk) “smelten (trans. en intr.), te niet gaan, vloeibaren drek ontlasten”. = ohd. smëlzan intr. “smelten” (smelzen zwak trans, “smelten”) (nhd. schmelzen), os. smëltan “smelten” (intr.), noorw. smëlta “smelten, verduwen”. Uit ’t Ags. hierbij smelting, smilting, smylting v. “barnsteen”; vgl. ohd. smelzida v. “id.”. Hierbij verder smout. In de eerste plaats verwant met gr. méldō “ik smelt” (trans.). Wsch. komen deze germ. en gr. woorden van een idg. basis smeld- (meld-?) “vloeibaar maken of worden”. In dit geval is de bij mout en mild besproken woordgroep niet oerverwant, maar zijn eerst in ’t Germ. melt- “fijngemalen worden, fijn worden” en smelt- “vloeibaar worden, zich in kleine deeltjes oplossen” met elkaar in associatie getreden. Eventueel echter zouden, als we ook idg. meld- “smelten” zonder s moeten aannemen, ags. mëltan, on. mëlta, got. gamalteins (zie mout) van idg. (s)meld- “smelten” kunnen komen. Vgl. nog smalt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

smelten. Het is zeer de vraag of de bet. ‘smelten’ van de germ. woordgroep en gr. méldō het recht geven een afzonderlijk idg. *smeld-, onderscheiden van de bij mout en mild besproken basis, aan te nemen. De bet. ‘smelten’ laat zich behoorlijk uit ‘week worden’ afleiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smelten o.w., Mnl. id., Os. smeltan + Ohd. smelzan (Mhd. smelzen, Nhd. schmelzen), Zw. smälta, De. smelte: verwant met mout: z.d.w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

smèlte (ww.) smelten; Vreugmiddelnederlands smelten <1240>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Smelten, van den Germ. wt. smelt = vloeibaar maken. Hiervan is smout afgeleid: het gesmolten vet, dat later weer stolt. De wt. smelt is verwant met de Idg. wt. meld (= smelten), waaraan ons mout herinnert; vgl. ’t Gr. meldoo = ik smelt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smelten ‘vloeibaar (doen) worden’ -> Engels smelt ‘(erts) vloeibaar doen worden’; Negerhollands smelt ‘vloeibaar (doen) worden’; Berbice-Nederlands smelti ‘vloeibaar (doen) worden’; Sranantongo smèlter, smertri ‘vloeibaar (doen) worden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smelten* vloeibaar (doen) worden 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut