Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smeken - (hartstochtelijk verzoeken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smeken ww. ‘hartstochtelijk verzoeken’
Mnl. smeken ‘vleiend spreken, mooi praten’ [1240; Bern.], Want tquaitsste liet van den knape. dat is die tuonge die smekt ‘want het slechtste lichaamsdeel van de jongeman dat is de tong die mooie praatjes doet’ [1270-90; VMNW], In vriendscepen ens niet so quaet Alse smeeken ende valsch baraet ‘in vriendschappen is er niets zo verkeerd als vleierij en bedrog’ [1300-25; MNW-R], smeken ‘(iemand) vleien, met mooie woorden voor zich innemen’ in den keyser ... Die smeectene ende dreigede wat hi mochte ‘de keizer die smeekte hem en dreigde wat hij kon ...’ [1393-1402; MNW-R], ‘dringend, hartstochtelijk en min of meer nederig verzoeken’ (Si) vleudde, smekede ende badt ... haren man ... om te moghene trecken te Jheruzalem ‘ze vleide, smeekte en verzocht haar man om naar Jeruzalem te mogen gaan’ [ca. 1470; MNW].
Mnd. smeken ‘vleien, met mooie woorden verleiden’; ohd. smeihhen ‘vleien’ (mhd. smeichen, nhd. alleen het frequentatief schmeicheln); nfri. smeke, smeekje; oe. smācian ‘strelen, vleien’; nzw. smeka ‘id.’, nno. dial. smeikja ‘id.’; < pgm. *smaikijan-. Zie ook → schmink.
Verdere herkomst onbekend.
De oudste betekenis van het Nederlandse woord is ‘vleien, vleiend praten’. Deze betekenis, die Duits schmeicheln nog steeds heeft, heeft zich later ontwikkeld tot ‘hartstochtelijk, dringend, veelal zelfs onderdanig verzoeken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smeken* [nederig verzoeken] {1201-1250} oudhoogduits smeichen, oudengels smacian [neerstrijken, vleien, strelen]; de oorspr. betekenis was ‘vleien, strelen’, vgl. ook hoogduits schmeicheln, van dezelfde stam als smijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smeken ww., mnl. smêken, smeiken ‘vleien’, zelden ‘vriendelijk of met aandrang vragen’, mnd. smēken, smeiken, mhd. smeichen (laat-mhd. smeicheln, nhd. schmeicheln). De bet. was oorspr. ‘strelen, strijken over’, vgl. nhd. schmeichen ‘de schering van een weefsel met pap gladmaken’, smācian ‘demulcere’, nnoorw. smeikja ‘strelen, vleien’, abl. smika ‘strijken, glad maken’. Verder te verbinden met ohd. smechar, smehhar, mhd. smecker ‘slank’, oe. smicre ‘schoon, sierlijk’, nijsl. smeikr ‘glad, bedeesd’, die men vergelijkt met pools smagly ‘slank’, śmiga ‘dunne roede’ lit. smaĩgas ‘stang’. — Zie voor verdere verwanten: smijten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smeeken ww., mnl. smêken (smeiken) “vleien”, zelden “vriendelijk vragen, met aandrang vragen” (vgl. een dgl. bet.-omvang bij vleien). In de bet. “vleien” ook ohd. mhd. smeichen (laat-mhd. smeicheln, nhd. schmeicheln), mnd. smêken (smeiken). De oorspr. bet. was “strijken”: vgl. nhd. schmeichen hieronder en ags.smâcian “demulcere” (= smeeken), noorw. dial. smika “strijken, streelen, gladstrijken”, smeikja “streelen, liefkoozen, vleien”. Hierbij ook ags. smicer “fijn, sierlijk”, ohd. smëhhar “sierlijk”, mhd. smëcker “mager, tenger”. De idg. basis smi-g- of smi-ĝ- is een verlenging van smi- (zie smijten). Met ’t oog op de bet. van ags. smâcian enz. en nhd. schmeichen “de schering van een weefsel met weverspap gladmaken” (= ohd. mhd. smeichen) is een combinatie van smeeken met av. maêz- “verzorgen” minder wsch., evenzoo de afl. van de basis smi- “lachen”, waarvan lat. mîrus “wonderbaar”, gr. meid(i)áō “ik glimlach”, obg. směją, smijati sę “lachen”, lett. smët “lachen”, oi. smáyate “hij glimlacht”, smera- ”glimlachend”, waarbij uit het Germ. de. smile, zw. smila, meng. smilen (eng. to smile) “glimlachen”, volgens sommigen ook ags. smæ̂r(e) m. “lip” e.a.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smeeken o.w., Mnl. smeken + Mhd. smeichen, smeicheln (Nhd. schmeicheln), Ags. smácian = neerstrijken, No. smika = strijken, wel met Eng. to smile, van denz. wortel als smid (z.d.w.). — Merk op dat voor de bet. Ndl. smeeken = Hgd. flehen, terwijl Ndl. vleien = Hgd. schmeicheln.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Smeeken, waarschijnlijk van den Germ. en Idg. wt. smi-w = vriendelijk zijn; Skr. smi = lachen. Het woord zou dan willen zeggen: vriendelijk zijn om iets te verkrijgen, vgl. ’t Mnl.: „Dat sijn diegeen die smeken (vleien) connen”; later bij ons: met innigheid om iets bidden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smeken ‘nederig verzoeken’ -> Engels † smeke ‘vleien’; Duits dialect smeeken ‘nederig verzoeken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smeken* nederig verzoeken 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal