Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smeerpoets - (vuil persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smeer zn. ‘vet’
Onl. smero ‘vette substantie’ in mit smere in mit feite ‘met smeer en met vet’, kuosmero ‘boter’, letterlijk ‘koesmeer’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. smere, smer ‘dierlijk vet’ [1240; Bern.], smeer [1351; MNW-P].
Os. smero (mnd. smēr); ohd. smero (nhd. Schmer); oe. smeoru (ne. smear); on. smjör (nzw. smör); got. smairþr (met ander suffix); alle ‘vet, smeer, boter, vettige substantie e.d.’, < pgm. *smerwa-. Hiervan afgeleid zijn de werkwoorden smeren (zie onder) en met dezelfde betekenis: mnd. smeren; ohd. smirwen (nhd. schmieren); oe. smierwan (ne. smear); on. smyrva, smyrja (nzw. smörja).
Verwant met: Oudiers smiur ‘merg’, Welsh mer ‘id.’; en wrsch. ook met: Litouws (vero.) smársas ‘vet, reuzel’; Tochaars B ṣmare (zn.) ‘olie’, (bn.) ‘glad, soepel’; < pie. *smer-uo- (IEW 970). Verwantschap met Latijn medulla (< *merulla) en/of Grieks múron ‘welriekende zalf of olie, parfum’ en smúris ‘smergel’ is onzeker.
Smeer heeft ook tegenwoordig nog steeds de betekenis ‘vet’ of bij uitbreiding ‘min of meer vettige substantie’. De afleiding smeren heeft een onafhankelijke betekenisuitbreiding ondergaan, terwijl in diverse andere samenstellingen en afleidingen het betekeniselement ‘vies’ overheerst:
smerig bn. ‘vies, vuil’. Mnl. smerich ‘vettig’, eerst als toenaam van Clais Smerighen (wellicht voor iemand met een vette buik) [1344; MNW], dan in smerich of salvich smaeck ‘vettige smaak’ [1477; Teuth.], niet smerich ..., mer vloyende ‘niet vettig, maar vloeibaar’ [1485; MNW]; vnnl. smerig ‘vuil’ in smeerige cleederen ‘vuile kleding’ [1583; iWNT], smeerige Potten, en Schotels ‘vuile pannen en borden’ [1676; iWNT]. Afleiding van smeer met het achtervoegsel → -ig. De oorspr. betekenis ‘vettig’ is in het Nieuwnederlands verouderd. ♦ smeren ww. ‘met een substantie bestrijken’. Mnl. smeren [1240; Bern.]. Afleiding van smeer. De oorspr. betekenis is ‘met een vettige stof bestrijken’. Men smeert bijv. om wrijving weg te nemen of te verminderen, vandaar dat het verl.deelw. gesmeerd een overdrachtelijke betekenis ‘met groot gemak’ heeft gekregen, als in nu gaat het gesmeerd [1931; iWNT]. Bij uitbreiding betekent smeren nu ook ‘bestrijken met een min of meer visceuze substantie, van welke aard dan ook’. Zie ook → besmeuren. ♦ smeerlap zn. ‘viezerik; slechterik’. Nnl. smeerlap ‘slechterik’. [1721; iWNT]. Samenstelling van smeer en lap ‘verachtelijk persoon’ zoals in een lap van een jongen [1789; iWNT lap IV], dronke lappen ‘dronkaards’ [1734; iWNT lap IV] en in de jongere samenstellingen dronkelap, zuiplap, zatlap ‘dronkaard’ [alle 18e eeuw of later]. Dit is wrsch. hetzelfde woord als → lap ‘stuk doek’. ♦ smeerpoets zn. ‘viezerik’. Nnl. smeerpoes in ongekapt, ongeschoeid, ongewasschen, als rechte smeerpoesjes [1787; iWNT], smeerpoets [1848, zie onder]. Samenstelling van smeer en → poes, later met -poets onder invloed van → poetsen. De benaming smeerpoets werd algemeen bekend door Piet de smeerpoets, hoofdpersoon van het gelijknamige prentenboek uit 1848, een vertaling uit het Duits van Struwwelpeter, het bekendste boek van de arts en kinderboekenschrijver Heinrich Hoffman. ♦ smeerkees zn. (NN) ‘viezerik; slechterik’. Nnl. smeerkees ‘slechterik’ [1910; Volk], ‘iemand die zichzelf of zijn omgeving vuil maakt’ [1931; iWNT]. Hetzij een samenstelling van smeer en de eigennaam Kees, hetzij ontleend aan Rotwelsch (Duits-Bargoens) Schmierkäs ‘wacht, politieagent’. Voor het eerst lid zie → smeris, het tweede lid gaat mogelijk terug op Jiddisch ches ‘goochem, slim’, zie → gis 1. In het Nederlands is het woord in dat geval volksetymologisch aangepast.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

smeerpoets, smeerpoes: iemand die veel morst of zich voortdurend smerig maakt. Sinds het einde van de negentiende eeuw noemt men een kind dat morst, knoeit of zich weinig om lichamelijke hygiëne bekommert vaak goedmoedig een Piet de Smeerpoets. Daarmee wordt gerefereerd aan een creatie van de Duitse arts Heinrich Hoffman (1809-1894) die in 1844 voor zijn driejarig zoontje een boekje met geestige gedichtjes over stoute en domme kinderen schreef. In 1845 verscheen het werkje, verlucht met karikaturale tekeningen, onder de titel ‘Der Struwwelpeter’. Wellicht verscheen rond 1848 de eerste Nederlandse uitgave van dit prentenboek: ‘Piet de Smeerpoets.’ Tegenwoordig wordt een zedeloos of seksueel losbandig persoon ook een smeerpoes genoemd.

Gij weet hoe ik altoos in de beslommering zit, en overhoop leg met de boojen; inzonderheid met onzen kok, dat een rechte smeerpoes en likkebroêr is, maar anders wèl genoeg voor zijn post… (Betje Wolff, Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding, 1793-1796)
Zij bond in, die smeerpoets, haalde geld en betaalde af op ’t grote bedrag. (H. van Aalst, Onder martieners en bietsers, 1946)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut