Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smaragd - (groene edelsteen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

smaragd zn. ‘groene edelsteen’
Mnl. smaragd in Die dien smaragd sculpeert ‘die de smaragd graveert’ [1380-1400; MNW-P]; nnl. ook als kleuraanduiding ‘heldergroen’ in het smaragd der bladeren [1822; WNT tusschen].
Via Latijn smaragdus ‘smaragd’ ontleend aan Grieks smáragdos ‘naam voor verschillende groene edelstenen’, wrsch. ontleend aan een Semitische taal (vergelijk Hebreeuws bāreqeþ, Akkadisch barraqtu ‘smaragd’, horend bij barāqu ‘bliksemen, schitteren’), waarvandaan ook Sanskrit marak(a)ta- ‘smaragd’.
Latijn smaragdus is in het Frans ontleend als émeraude < Oudfrans esmeralde < esmaragde [1121-24; Rey]. Het gewone Middelnederlandse woord voor ‘smaragd’ was miraude, dat teruggaat op een van de vele Oudfranse overgangsvormen. Dat laatste geldt ook voor vnnl. asmiralde en voor nnl. emerald [1899; WNT waaier].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smaragd [edelgesteente] {1475} < latijn smaragdus < grieks (s)maragdos, ontleend aan een semitische taal, vgl. akkadisch barraqtu [smaragd], een woord dat de schittering weergeeft, afgeleid van barāqu [bliksemen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smaragd znw. o. m., laat-mnl. smaragd, evenals mhd. smaragd < mlat. smaragdus waaruit ook ofra. esmaragde (waarnaast esmeralde > fra. émeraude) en ne. smaragd. Het lat. woord gaat terug op gr. smáragdos, máragdos. — Daarnaast staat oi. marakata-, marakta-, waarvan het niet zeker is, of het zelf uit het gr., dan wel omgekeerd het grondwoord van het gr. is; in dit geval is het gr. woord beïnvloed door smarageĩn ‘donderen, geruis maken’ (en niet zo, dat gr. smáragdos eig. ‘dondersteen’ zou betekenen). Aan al deze woorden ligt ten grondslag hebr. bāréḳet, akkad. barraqtu, dat te verbinden is met de wortel b-r-q ‘glanzen, bliksemen’ (M. Mayrhofer, Die Sprache 7, 1961, 187-188).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smaragd znw., laat-mnl. smaragd. Een ook du. en skandin. (reeds mhd. laat-on.) woord, uit lat. smaragdus > gr. smáragdos ontleend. Hiernaast máragdos. Uit andere talen vgl. oi. marak(a)ta-, perz. zumurrud, arm. zmruxt, russ. izumrúd. Men zoekt den oorsprong in hebr. bâreqet “smaragd”. Mnl. is miraude v. m. “id.” ouder en gewoner (Naturen Bloeme XII, 1025: Smaragdus es des mirauden name); dit gaat via ofr. miraude, esmeraude (fr. émeraude) = it. smeraldo op mlat. smaragdus terug.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smaragd o., gelijk Hgd. id., Fr. émeraude, uit Lat. smaragdus, van Gr. smáragdos, uit Skr. açma maragado, uit Hebr. bāreqet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

smarag: bep. edelsteen; Ndl. smaragd (ouer smarald/smerrald, Mnl. smaragd/miraude), Hd. smaragd, Ofr. miraude/esmeraude (Fr. émeraude), It. smeraldo, Eng. emerald, uit Lat. smaragdus, Gr. (s)maragdos, wsk. uit Hebr. bāreqet; by vRieb esmaraut(steen)/esmaraude(steen).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

smaragd (Latijn smaragdus)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

droogstoppel [saai, vervelend mens] (1860). Eduard Douwes Dekker (1820-1887) publiceerde in 1860 onder het pseudoniem Multatuli zijn boek Max Havelaar, of de Koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, gericht tegen de uitbuitingspraktijken in Nederlands-Indië. Uit dit boek zijn droogstoppel ‘saai mens’ en pak van Sjaalman ‘een bundel papieren met allerhande onverwachte stukken’ spreekwoordelijk geworden. De Max Havelaar leverde het Nederlands nog meer woorden op. Het boek begint als het geschrift van een kleinburgerlijke Amsterdamse koffiehandelaar, Batavus Droogstoppel, die van een mislukte jeugdvriend, Sjaalman genoemd, een pak belangrijke Indische papieren ontvangt. Multatuli laat zijn Max Havelaar voorafgaan door een toneelstukje over de berechting van Lothario, door wie Barbertje zou zijn vermoord. Barbertje blijkt springlevend, maar Lothario moet toch hangen. In het spraakgebruik is hieruit met persoonsverwisseling de formule Barbertje moet hangen ontstaan, die begin twintigste eeuw voor het eerst is gesignaleerd. In de Max Havelaar gebruikt Multatuli met nadruk het naar het Duitse Halbheit gevormde halfheid ‘onbeslistheid, weifeling’, dat mogelijk door hem in het Nederlands is geïntroduceerd. Ook afkomstig van Multatuli zijn de benamingen Insulinde ‘Indonesische archipel’ en de bijnaam voor Nederlands-Indië de gordel van smaragd.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smaragd edelgesteente 1475 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal