Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smal - (niet breed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smal bn. ‘niet breed’
Onl. smal ‘gering van omvang’ in ande ouana smal ‘en boven smal’ [ca. 1100; Will.] en in toponiemen, bijv. Smalegheest [1130-61; Künzel]; mnl. smal ‘klein’ [1240; Bern.], ‘niet breed’ in dat smaelre es dan die yzerine roede ‘dat smaller is dan de ijzeren staaf’ [1277; VMNW].
Os. smal (mnd. smal); ohd. smal (nhd. schmal); ofri. smel (nfri. smel); oe. smæl (ne. small); on. smalr; got. smals; alle ‘klein, gering, nauw, dun e.d.’, < pgm. *smala-.
Verwant met: Oudnederlands māla (Nederlands maal) ‘jonge koe’; Grieks mẽlon ‘schaap’; Oudkerkslavisch malŭ ‘klein’ (Russisch mályj); Oudiers mīl ‘klein dier’; Armeens mal ‘schaap’; < pie. *(s)meh1l- (voor het Grieks, Keltisch), *(s)moh1l- (Slavisch), *(s)mh1l- (Germaans, Armeens) (IEW 724). Wrsch. niet verwant met Latijn malus ‘slecht’, zie → malaise.
De oorspr. betekenis ‘gering van omvang, klein’ is in het Nederlands vernauwd tot ‘niet breed’, d.w.z. ‘klein in één bepaalde dimensie’.
De verbogen vormen en de afleidingen van smal hadden oorspr. een open lettergreep: smale ‘smalle’, smalest ‘smalst’ enz.; vergelijk de familienamen De Smael(e), Smaal, De Smalen. Dit verschil is al in het Middelnederlands door analogiewerking opgeheven, behalve in → smalen. In het Hoogduits gebeurde het omgekeerde: schmal heeft ook in de nominatief een lange klinker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smal* [niet breed] {in de vroegere Noord-Hollandse plaatsnaam Smalegheest <1130-1136>, sma(e)l [klein, gering, smal] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits smal, oudfries smel, oudengels smæl, oudnoors smalr, gotisch smals; buiten het germ. misschien grieks mèlon [stuk kleinvee], oudiers míl, welsh mil [dier], armeens mal [schaap, ram], oudkerkslavisch malŭ [klein].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

smal

Het woord smal betekent niet alleen: van geringe breedte (de smalle weg naar de hemel en de brede naar de hel), maar vanouds ook: klein, Engels small. Ook in de betekenis slank komt het woord voor. Roemer Visscher schrijft: ‘lck kreegh lust om te besoecken dat meysken smal dat mijn sinnekens heeft in haar gewelt (macht)’. Vroeger sprak men van smalle heren voor: leenmannen, vazallen en wij kennen nog de smalle gemeente voor hen die Kuyper de kleine luiden noemde en de smalle beurs voor de weinig kapitaalkrachtigen. Men brengt met smal in verband het Middelnederlandse smale: jonge vrouw dat men dus zou kunnen vertalen als: de ranke, de slanke.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smal bnw., mnl. smal (2de nv. smāles, reeds zelden smalles) ‘klein, gering, schaars, smal, nauw’, os. smal, ohd. smal ‘klein, gering, smal’ (nhd. schmal), ofri. smel ‘klein, gering’, oe. smæl ‘klein, gering, nauw, dun’ (ne. small), on. smalr (alleen in smalmenni ‘kleine luiden’, smalbāti ‘kleine boot’), got. smals ‘klein, gering’. — Daarvan afgeleid mnl. smāle ‘meisje, jonge vrouw’. — Voor mogelijke verdere verbindingen zie: maal 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smal bnw., mnl. smal (gen. smāles, zelden reeds smalles) “klein, gering, schaarsch, smal, nauw”. Mnl. smāle v. “de lieve, schoone, meisje, jonge vrouw” zal wel ’t v. hiervan zijn; ’t wordt ook anders verklaard. Ndl. smal = ohd. smal “klein, gering, dun, smal” (nhd. schmal), os. smal, ofri. smel “klein, gering”, ags. smæl “id., nauw, dun, fijn” (eng. small), laat-on. smalr “klein”, got. smals “klein, gering”. Men gaat van idg. *smolo- of *smǝlo- uit, waarmee dan obg. malŭ “klein”, gr. mẽlon “klein vee”, ier. mîl “dier”, arm. mal “schaap, ram” worden gecombineerd, door sommigen ook lat. malus, osk. mallo- “slecht”, ier. maill “boos, slecht”, die dan idg. ǝ zouden hebben; zie echter mal II. Voor de bet. “vee” vgl. on. smali m. “klein vee, schapen”, ohd. smalaʒ fëho o. “id.”. Idg. *(s)mê-lo-, *(s)mō̆-lo-, *(s)mǝ-lo- zouden van de bij smaad besproken basis smê- kunnen komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

smal. Zie maal III Suppl. — Ier. maill ‘boos, slecht’ bestaat niet: zie bij mal II Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

smal bijv., Mnl. id., Os. id. + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. schmal), Ags. smæl (Eng. small), Ofri. smel, On. adj. smalr = klein, subst. smali = kleinvee (Zw. en De. adj. smal), Go. smals + Arm. mal = schaap, Gr. mẽlon = kleinvee, Oier. míl = dier, Osl. malŭ = klein: Idg. wrt. (s)mel, misschien verwant met den wortel van adj. *smâh besproken bij smaad.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

smaal (bn.) smal, niet breed; Vreugmiddelnederlands smal <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

smal, (ook:) 1. (bn.), nauw, strak (kledingstuk). Een smalle rok (Essed 127). - 2. (bn., bw.), slank (gezegd van mensen). Weet je nog Sybille, toen je me Blauwgrond liet zien. () Al die smalle mensen die het onkruid haast dogmatisch bezweren (Roemer 1983: 142); het gaat over Javanen*. Zij is smal gebouwd - Etym.: (1) Ook in BN. (2) Ook in BN. In AN wel gezegd van lichaamsdelen, zelden van mensen. - Zie i.v.m. 1 ook breed*.

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

smal-

Er wordt soms bezwaar gemaakt tegen twee samenstellingen van smal- met een substantief:

a. Smalfilm

Dit woord dateert waarschijnlijk uit de jaren ’30. In de woordenboeken vindt men het voor het eerst in de jaren ’40. Van meet af aan zijn ze het er niet eens over of het goed Nederlands is. Van Dale beschouwt het als een germanisme (D. ‘Schmalfilm’).

Tot aan het begin van de jaren ’70 was Koenen het daarmee eens, al achtte hij het ‘gebruikelijk’! Nu aanvaardt hij smalfilm, samen met Verschueren, Kramers en Jansonius, als correct Nederlands. Weijnen echter, die het eerst zonder commentaar had opgenomen, beschouwt het nu opeens als een germanisme.

Zoals uit het volgende voorbeeld blijkt, heeft smalfilm reeds afleidingen ‘geproduceerd’:

‘De droom van elke smalfilmer ... een volledig nieuwe opvatting van het smalfilmen.’ (Knack, 22.11.72, p. 2)

b. Smalspoor

Smalspoor (‘spoor waarvan de rails op kleinere dan normale afstand van elkaar liggen’) is ouder dan smalfilm. Het dateert waarschijnlijk van het begin van deze eeuw.

Tot in de jaren ’50 wordt het, ondanks de protesten van enkele puristen door de woordenboeken aanvaard. Sindsdien beschouwen Van Dale en Koenen het als een germanisme (D. ‘Schmalspur’). Volgens Koenen is het echter gebruikelijk. Weijnen, die smalspoor nog in de jaren ’60 goedkeurde, vindt nu opeens dat het een germanisme is. Al de andere woordenboeken (Verschueren, Kramers, Jansonius, Van Gelderen) vermelden deze samenstelling zonder verdere aantekening.

Conclusie:

Op zichzelf zijn de samenstellingen van smal- met een substantief niet onnederlands: de woordenboeken vermelden namelijk als correct Nederlands de technische woorden: smaldoek, smalkant; de dierennamen smalbek en smalneus; en het reeds oude smaldeel, waarin smal echter ‘klein’ betekent. Bovendien wordt in de twee bovengenoemde gevallen de samenstelling gewettigd door het betekenisverschil: elke ‘smalle film’ is geen smalfilm, elk ‘smal spoor’, geen smalspoor.

Ondanks de afkeuring van Van Dale en Weijnen en de halve afkeuring van Koenen (het ene woord is volgens hem een germanisme, het andere niet), mag men beide woorden, smalfilm en smalspoor, als ingeburgerd beschouwen. Ze zijn nu eenmaal niet meer te vervangen!

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Smal, Germ. smalo, is oorspr.: klein, gering; vgl. „de smalle gemeente”, „de smalle tiend” (de kleine tiend, n.1. van ’t vee; in tegenstelling met de groote tiend, die van ’t koren) en ’t Mnl.: „U loen (= loon) en sal niet wesen smal.” Vgl. ook nog: smaldeel = klein deel of onderdeel der vloot; en het 17de eeuwsche smaldeel voor: kerkelijke sekte. Smalen is dus: klein maken, evenals smaden, z. d. w. Later kreeg smal de bet. van „klein van breedte”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smal ‘niet breed’ -> Zweeds smal ‘niet breed, slank, onbeduidend’ (uit Nederlands of Nederduits); Ambons-Maleis smal ‘niet breed’; Kupang-Maleis smal ‘niet breed’; Menadonees smal ‘niet breed’; Ternataans-Maleis smal ‘niet breed’; Negerhollands smaal, smal ‘niet breed’; Papiaments smal ‘niet breed’; Sranantongo smara (ouder: smala) ‘niet breed’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smal* niet breed 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2295. Een huwelijk met den smallen trouwring,

d.i. een huwelijk met meer dan één vrouw; zie Handelingen der 1e Kamer, 1922-1923, bl. 610: Zij (de Duitsche Militaire Overheid) verspreidde toen een geschrift, waarin bepleit werd om aan de welgestelde mannen het recht te geven of den plicht op te leggen meer dan één wettelijke vrouw te bezitten, opdat de nakomelingschap zoo groot mogelijk zou zijn. Dat was dan een huwelijk met den smallen trouwring.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal