Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

smakken - (smijten; hoorbaar eten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

smakken ww. ‘smijten; hoorbaar eten’
Mnl. Soo en sel nyement ... geenrehande dode beesten of krengen ... smacken ‘zo mag niemand enigerlei dode beesten of kadavers neergooien’ [1450; MNW], balle smacken mit lepelen ‘ballen slaan met slaghouten’ [1450-1500; MNW], smacte ... den hoet in een diepe graft ‘(hij) smeet de hoed in een diepe gracht’ [1481; MNW]; vnnl. smacken ook ‘een klappend geluid met de lippen maken bij het eten of kussen’ in smacken ghelijck een soch ‘smakken als een zeug’ [1559; iWNT zeug], Om de stoole daer te smackebackene, Die sy ghekust heeft ‘om dan de mantel die zij gekust heeft, smakkend te kussen’ [midden 16e eeuw; Mak 1959], lecken en smeckebecken, met ioeckende tandekens ‘likken en smakken, met jeukende tandjes (van de honger)’ [ca. 1560; Mak 1959], smack-becken, smack-muylen, smack-tanden ‘een klappend geluid maken met de mond’ [1599; Kil.].
Wrsch. een klanknabootsend werkwoord. In de betekenis ‘hoorbaar eten’ kan het woord, gezien West-Vlaams en Zeeuws smekken en Duits schmecken ‘smaken’, ook een intensivum van smaken zijn (Debrabandere 2007, smekken).
Mnd. smacken ‘hoorbaar eten; hard vallen’; nfri. smakke ‘smijten; hoorbaar eten’; ne. smack ‘hoorbaar eten’.
Verwantschap met Litouws smõgti ‘slingeren, gooien’ is hoogst onzeker (NEW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

smakken* [smijten, klappend geluid met lippen maken] {smacken [hoorbaar met kracht werpen] 1450} middelnederduits smacken, fries smakke; klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

smakken ww., mnl. smacken ‘gooien, slaan’, Teuth. smacken ‘verberare’, mnd. smacken ‘gooien, slaan, luid en hard vallen’, fri. smakke ‘slaan, gooien’, ne. smack ‘klappen, een klappende zoen geven’. — Waarschijnlijk een klanknabootsend woord; verband met lit. smagiù, smõgti ‘slingeren, gooien’ is hoogst onzeker; in dit geval zou men kunnen denken aan een woord uit een substraattaal. — > ne. smack ‘een smakkend geluid maken; een luide zoen geven’ (sedert 1557, vgl. Bense 415).

De bet. ‘met smakkend geluid eten’, ook nnd. dial. smacken, ne. smack kan invloed van smaken hebben gehad.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

smakken ww., mnl. smacken “gooien, slaan”. = Teuth. smacken “verberare”, mnd. smacken “slaan, gooien, luid en hard vallen”, fri. smakke “id.”, eng. to smack “klappen, klappend kussen”. Wsch. verwant met lit. smagiù, smõgti “slingeren, gooien”, smõgis “krachtige worp, slag”, smogė “zweepslag”. Ndl. smakken (met den mond), ndd. dial. smacken, eng. to smack “id.” is ’t zelfde woord, misschien door de woordgroep van smaak in de bet. beïnvloed.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

smakken. Jonge ablautende formaties naast dit onomatopoëtisch gevoelde woord zijn smekken, de. smække, zw. smäcka ‘slaan’ (naast de. dial. smakke, zw. smacka ‘met de mond smakken’, ouder-zw. ook ‘slaan’, die wsch. aan het Ndd. zijn ontleend). Ook noorw. smikka ‘klappen’ en andere woorden met i die onder smijten van de germ. basis smik- in smeken worden afgeleid, kunnen op deze wijze zijn ontstaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

smetse (ww.) smakken; < Duits schmatzen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

smakken ‘klappend geluid met lippen maken’ -> Engels smack ‘klappend geluid met lippen maken; met smaak nuttigen; luidruchtig zoenen (verouderd); klappen; neersmijten; slaan’.

smakken ‘smijten’ -> Duits dialect Schmackes ‘kracht, gewicht’ (uit Nederlands of Nederduits); Duits schmakken ‘de deur dichtgooien’ (uit Nederlands of Nederduits); Duits smack, smacks ‘(bijwoord) met kracht’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

smakken* smijten 1450 [MNW]

smakken* klappend geluid met lippen maken 1624 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut