Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slurf - (lange snuit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slurf zn. ‘lange snuit’
Vnnl. slorf ‘tot slurpen geschikte snuit of muil’ in Ghij wilt ... der ermen lien bloet selve in uwen slorf slaen ‘u wilt zelf het bloed van de armen opslorpen’ [1526-67; iWNT]; nnl. slurf ‘id.’ in Het slorpen der Koeijen, welker breede slurf of muil hiertoe bijzonder geschikt is [1811; iWNT], de slurf (van een vlinder) ... loopt draadvormig uit [1861; iWNT wijn], De kop van den olifant (kenmerkt zich) door zijne lange, bewegelijke tromp, slurf of snuit [1862; iWNT].
Afleiding van de nevenvorm slurven van → slurpen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slurf* [verlengde snuit] {slorf 1540, naast slorpe 1599} van slurpen1 [inzuigen], met als nevenvorm slorven {1587}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slurf znw. v., behoort bij het reeds door Kiliaen vermelde slorven ‘slurpen’, vgl. ook zuidkempens slerf (= oudnl. lerf) en met p zaans slerp, lerp ‘tong’, waarin de e niet als ablaut is op te vatten, maar eerder als klankvariant van u. — Zie verder: slurpen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slorpen, slurpen ww. Kil. Teuth. slorpen. = nhd. schlürfen, mnd. slorpen “slorpen”, noorw. slurpe “id.” (dial. ook “plassen, knoeien”). Met gelijke bet. Kil. slorven, waarbij nnl. slurf, dat in de 16. eeuw reeds met de bet. “sul” voorkomt; vgl. Kil. slorpe (“Holl.”) “slurf” (nog Zaansch, naast slerp, lerp “tong”; Zuid-Kempensch slerf, oudnnl. lerf “id.”; voor lerp zie laars). Vgl. verder mhd. slurken “zwelgen”, slurc m. “keelgat” (md.), de. slurk “slok, mondvol”, noorw. slurke “met groote teugen slurpen”. Al deze vormen zijn wsch. van jongen datum. Zij zijn wsch. onomatop., maar onder invloed van andere woorden zooals misschien sleuren “sleepen, trekken” opgekomen, de k-vormen mede onder invloed van slokken. Vgl. lurken. Men heeft slorpen wel voor een oud woord gehouden en met lat. sorbeo, gr. rophéō “ik slorp”, ksl. srŭbati “slorpen”, lit. srėbiù, alb. g’erp “ik slorp”, arm. arbi “ik dronk”, ier. srub “snuit” gecombineerd; de l zou dan naar slokken ingevoegd zijn: mogelijk, maar niet wsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slurf v., van slorven, bij slurpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slurf: – slurp – , lang snuit (veral v. olifant); Ndl. slorf/slurf/slorp/slurp, wsk. almal v. kn. ww. slorfen/slorpen/slurven/slurpen (vgl. Hd. schlürfen) n.a.v. roggelgeluid van diere by drink; vgl. Kloe HGA 123.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slurf ‘verlengde snuit’ -> Papiaments slùrf ‘verlengde snuit’; Sranantongo slùrf ‘verlengde snuit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slurf* verlengde snuit 1540 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut