Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sluis - (waterkering met deuren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sluis zn. ‘waterkering met deuren’
Onl. slūsa ‘waterkering’ in de plaatsnaam Slusis (gelatiniseerd) ‘Sluizen (Limburg B)’ [1139; Gysseling 1960], als glosse in et construere nouum exitum aquarum, quem sluse vocant ‘een nieuwe afvoer voor het water aan te leggen, die zij sluis noemen’ [1155; ONW]; mnl. sluse ‘waterkering’ [1268; VMNW], eenen sluyse te leggen ‘een waterkering aan te leggen’ [1374; MNW].
Ontleend aan Oudfrans escluse ‘id.’ [11e eeuw; Rey] (Nieuwfrans écluse ‘id.’), of direct aan middeleeuws-Latijn exclusa, (e)sclusa ‘id.’ of uit Laatlatijn exclusa (aqua) ‘afgesloten (water)’, zelfstandig gebruikt verl.deelw. v. ev. van klassiek Latijn exclūdere ‘afsluiten, buitensluiten’, gevormd uit het voorvoegsel → ex- ‘uit-’ en de combinatievorm van het ww. claudere ‘sluiten’, zie → klooster.
Dankzij de bekendheid van de Hollandse waterbouwkundige werken kwam het woord ook in andere talen terecht, zoals mnd. slūse (nhd. Schleuse [16e eeuw; Kluge]), Russisch dial. sljuz/šljuz ‘schutsluis’ en mogelijk ook vne. sluice, als slewssis (mv.) [1533; OED] (NEW).
sluizen ww. ‘door een schutsluis doen varen’. Nnl. sluizen ‘id.’ [1961; Van Dale], overdrachtelijk ook “(overheidsgelden) naar bep. bestemmingen doen gaan” [1984; Van Dale]. Afleiding van sluis. Het woord bestond vroeger ook in andere van het zn. afgeleide betekenissen, zoals ‘voorzien van een sluis’ (slusen [1338; MNW]) en ‘water lozen’ (sluysen [1665; iWNT]).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sluis [waterkering] {in de plaatsnaam Slusis, nu Sluizen (Belgisch-Limburg) 1139, sluce, sluse, sluus [waterkering (ook zonder deuren), ook: het daardoor tegengehouden water] 1155} < oudfrans escluse < middeleeuws latijn exclusa, esclusa, sclusa [sluis, dam], voor aqua exclusa [het buitengesloten water], exclusa, vr. verl. deelw. van excludere [buitensluiten], van ex [uit] + claudere (in samenstellingen -cludere) [sluiten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sluis znw. v., mnl. slûse v. m., mnd. slūse; het nhd. schleuse werd in de 16de eeuw uit het nnl. overgenomen en met aansluiting aan schlieszen van klinker veranderd. Reeds de Romeinen gebruikten in de waterbouwkunde het woord exclūsa (van exclūdere ‘buiten- of afsluiten’); over mlat. sclūsa ontstond daaruit ofra. escluse (fra. écluse en ne. sluice) en reeds vroeg mnl. slūse, sluise. Ten gevolge van de droogleggingen van de moerassen om Hamburg door Hollanders in de 12de eeuw, kwam het woord reeds vroeg (1237) in het nnd. — Ook > russ. dial. sljúzy ‘brugje lager dan een molensluis’ (R. v. d. Meulen Ts 29, 1910, 250). — Betreffende ne. sluice merkt Bense 410-2 op, dat dit wegens de sedert de 16de eeuw optredende vormen slus(e) eerder uit het nl. opnieuw overgenomen zal zijn, terwijl de oudere vormen scluse (in de 14de en 15de eeuw) op de mlat. vorm teruggaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sluis znw., mnl. slûse v. (m.). = mnd. slûse (nhd. schleuse) v. “sluis”. Uit ofr. escluse (fr. écluse) of direct uit mlat. exclûsa, sclûsa “id.” (van exclûdere “buitensluiten”). Eng. sluice “id.” uit ’t Ndl. of Ofr., de. sluse, zw. sluss “id.” uit het Ndd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sluis v., Mnl. sluse, gelijk Eng. sluice, uit Ofra. escluse (thans écluse), van Mlat. exclusam (-a), zelfst. gebr. vr. v.d. van Lat. excludere = afsluiten (ex = uit, — cludere, verzwakking van claudere in samenst.: z. sluiten).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

sluis (de, sluizen), (ook:) goudzoekerswerktuig bestaande uit een serie van drie of meer aaneensluitende wasgoten, gebruikt om op een bepaalde manier goud te wassen. Niet alleen een stil kruis in het bos, maar ook de half ingestorte overblijfselen van een uitgebreid en kunstig watertoevoersysteem () vertellen van het vele werk dat verricht is met de ’bate’*, de longtom* of met de sluis of met de pikhouweel 20 m onder het daglicht in een met kaarsen beflakkerde mijntunnel (Bubberman 143). - Etym.: Vgl. het syn. sluice* (E). - Syn. ook sluice-box*. Zie ook: longtom*.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

sluis 'waterkering met deuren'
Het woord sluis 'waterkering met deuren, inrichting om twee wateren met elkaar in verbinding te brengen of te scheiden, schutsluis' is een leenwoord uit het Romaans, via ofra. escluse of rechtstreeks van mlat. sclusa, naast exclusa, dat samenhangt met lat. excludere 'uitsluiten, buitensluiten'.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sluis (Oudfrans escluse)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sluis, van ’t Midden-Lat. sclusa, exclusa, van ex-cludere = buiten-sluiten (verwant is kluis); het woord w.d.z.: wat het water buitensluit of tegenhoudt. Zie Sluiten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sluis ‘waterkering’ -> Duits Schleuse ‘waterkering, kanaal’ ; Oost-Jiddisch sjlioezn, sjlioezes ‘waterkering’ ; Deens sluse ‘waterkering’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sluse ‘waterkering’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sluss ‘waterkering’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests lüüs ‘waterkering’; Frans dialect † senuise ‘waterkering’; Pools szluza, śluza ‘waterkering’ (uit Nederlands of Duits); Russisch šljúz, sljuz ‘waterkering; (Bargoens) arrest, (mv.) sleutels; (jongerentaal) anus’; Oekraïens sluis ‘waterkering’ ; Wit-Russisch šljuz ‘waterkering’ ; Azeri šljúz ‘waterkering’ ; Litouws šliuzas ‘waterkering’; Creools-Portugees (Batavia) slooysoe ‘waterkering’; Sranantongo sroisi ‘waterkering’; Sarnami soroisi ‘waterkering’; Surinaams-Javaans sorsi ‘waterkering’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sluis waterkering 1139 [Claes] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut