Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sluimeren - (licht slapen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sluimeren ww. ‘licht slapen’
Mnl. slumerende ende mytten hoeuede knickende ‘sluimerend en knikkebollend’ [1400-50; MNW-P], hi ... slumerde tusschen slapen ende waken [1479-1517; MNW-P]; vnnl. sluymeren [midden 16e eeuw; MNW].
Frequentatief van mnl. slumen (vnnl. sluimen) ‘slapen’ zoals in hi hout die ogen geloken eenparlike of hi slumede ‘hij houdt de ogen voortdurend gesloten, alsof hij sliep’ [1351; MNW-P]. Het woord moet al ouder zijn, getuige het Oudpicardische leenwoord esclumir ‘in slaap vallen’ [1193-97; FEW].
Mnd. alleen slöm(m)eringe ‘slaapje’; mhd. slum(m)ern (nhd. schlummern); nfri. slommerje, slûmerje; me. slūmeren (ne. slumber); alle ‘sluimeren’.
Bij mnl. slumen: mnd. slomen, slommen; mhd. slummen (vnhd. schlummen); me. slūmen (ne. dial. sloom); nde. slumme.
Afleiding van een zn. pgm. *slūma-, dat is overgeleverd als oe. slūma ‘lichte slaap, slaapje’ en nde. vero. slum ‘id.’, en misschien ook als nno. slum ‘slap, dun (van gras)’. Het zou dan, net als → slapen, teruggaan op een woord of een wortel voor ‘slap’ of ‘slap neerhangen’.
Verdere herkomst onzeker. Men leidt deze en vele andere Germaanse woorden met vergelijkbare beginklanken veelal af van een wortel pgm. *slū-, *slu-, *sleu- ‘slap, slap neerhangen’, die dan met toevoeging van diverse niet-gemotiveerde medeklinkers zou hebben geleid tot bijv. *slūk- (zie → sluik), *sluþ- (zie → slobberen 2), *sleur- (zie → sleuren), *sluf- (zie → sloffen), en met een betekenis ‘glijden’ ook *slūp- (zie → sluipen), slūk- (zie → sluiken). Er zijn bij al deze woorden nauwelijks Indo-Europese verwanten, waardoor deze mogelijkheid zeer hypothetisch blijft.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sluimeren* [dutten] {slumeren 1450} iteratief van middelnederlands slumen [idem] {1351} (vgl. sluimen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sluimeren ww., later-mnl. slûmeren, later-mhd. slummern (nhd. schlummern) mnd. slummeren, fri. slūmerje, ne. slumber iteratief bij mnl. slûmen, later-mhd. slummen, fri. slūmje. Daarnaast met ŭ nnl. verouderd slommeren, mnd. slōmeren. Verder nnoorw. sløyma ‘snel tot lange slappe halmen groeien’. — Geen verwanten buiten het germ.

Men kan uitgaan van de wt. *sleu ‘slap afhangen, slap’ (IEW 962-3), waarvan verschillende afl. in het germ. bestaan: behalve deze met m
met r zie: sleuren
*(s)leug zie: sluik
*(s)leud zie: sloot
*(s)leut zie: slodderen
Wegens de verwante bet. kan men hiermee wellicht ook verbinden de volgende wortels, die IEW afzonderlijk vermeldt:
*(s)leuĝ zie: sluiken
*(s)leup zie: slof 2 en lob
*(s)leub zie: sluipen.
Of men van de grondwt. *sleu ook got. slawan ‘zwijgen’ mag afleiden, is zeer onzeker. Idg. verwanten zijn er nauwelijks, alleen in het balto-slavisch enige, niet eens steeds zekere parallellen. Er is dus geen reden de bovengenoemde germ. woorden op idg. grondvormen terug te voeren en de aangevoerde idg. wortels dienen dus alleen om de bouw dezer woorden aan te geven. Het is blijkbaar een sterk affectieve woordgroep, waarvan het voornaamste element de verbinding (s)lu is, waarmee het begrip ‘slap, los neerhangend’ aangeduid wordt; daarvan konden dan binnen het germ. allerlei afleidingen gevormd worden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sluimeren ww., ook slommeren (nu verouderd), later-mnl. slûmeren, ook slûmen “sluimeren”. = later-mhd. (md.) slummen, slummern (nhd. schlummern), mnd. slummeren, fri. slûmje, slûmerje, eng. to slumber “sluimeren”. Met germ. mnd. slōmen, slōmeren “id.”. In hoeverre de opgenoemde vormen met mm oorspr. û of u hadden, is niet zeker uit te maken. ’t Ags. kent slûma m. “het sluimeren” (dial. bewaard). Formantische varianten zijn alem. šlûne, šlûre “sluimeren”. Al deze vormen zijn met vla. sluimen “sluipen, stilletjes wegnemen, bedekte middelen gebruiken”, noorw. dial. slum “slap, dun”, sløyma “in lange, dunne stengels opschieten”, slona “bedaren” gecombineerd, die wel bij slu- “glijden, slap zijn” (zie slooien) zullen hooren. Slū̆m- “sluimeren” (slûn-, -ûr-) echter zal, daar het alg.-wgerm. is met de onveranderlijke bet. “sluimeren, slapen”, wel niet van dit slu- komen, dat een zeer vage en ruime bet.-sfeer heeft; de bet. “slap zijn”, waarvan we voor sluimeren zouden moeten uitgaan, is hierbij ook niet de oudste. Eer verdient de combinatie met got. slawan “zwijgen”, čech. leviti “nachlassen”, lit. liáujů-s, liáuti-s “ophouden”, opr. au-lāut “sterven” overweging, waarbij ook lui II kan hooren. Dit alles is evenwel onzeker, evenals ook de verdere combinatie met got. lew (o.?) “gelegenheid, aanleiding”, lewjan, ags. læ̂wan, ohd. gi-lâen “verraden”. Zie nog verliezen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sluimeren ono.w., Mnl. slum(er)en + Ags. slúma = sluimer; daarnevens De. slune, Alem. schlûne, schlûre; wellicht bij sleuren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sluimeren ‘dutten’ -> Zweeds slumra ‘dutten’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect esclumir; s'einsclumi, s'inscrumî ‘(fig.) kalmeren; indutten’; Negerhollands slommer ‘dutten’; Papiaments † sluimer ‘dutten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sluimeren* dutten 1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut