Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sluik - (glad (van haar), slap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sluik bn. ‘glad (van haar)’
Mnl. sluuc ‘slap, niet krachtig’ in by ... sluicker anbrenge van de eysschers ‘door ontoereikende aangifte van de eisers’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. sluyck, sluik in het allerteerste Knopjen, maeghdsgewijze, slujk ‘het allerteerste knopje, maagdelijk, tenger’ [1616; iWNT], ook ‘slap neerhangend’ in Den Bouwen, die om 't liif haer had gehangen sluick ‘de bovenrok, die haar slap om het lichaam had gehangen’ [1622; iWNT]; nnl. (van haren) ‘glad neerhangend, niet rechtop of gekruld o.i.d.’ in Zijne lichtgrauwe haren hingen sluik naar beneden [1849; iWNT], dat sluike vlasblonde haar [1865; iWNT].
Herkomst onduidelijk.
Wellicht (NEW, Toll.) verwant met vne. slouche ‘slappe houding; waardeloze kerel’ (ne. slouch) < pgm. *slūka-. Misschien ablautend verwant met: oe. slēac ‘slap, traag’; en mogelijk ook nno. dial. slauk ‘slap mens’; < pgm. *slauka- (Heidermanns), en nnd. sluck ‘ontmoedigd’ (waar het nde. sluk ‘beteuterd’ wrsch. van afstamt) < pgm. *sluk-. Zie ook → sluimeren.
Volgens FvW bovendien verwant met → sluiken, dat als oorspr. betekenis ‘glijden’ heeft.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sluik1* [glad (van haar), slap] {sluuc, sluyc [slap] 1408} ablautend oudengels sleac [slap], nederduits sluck, noors slauk [slap iem.]; buiten het germ. misschien litouws slūgti [kleiner worden] (vgl. sluimen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sluik bnw., in de 16de eeuw nog ‘slap, niet flink’, nnd. slūk ‘slap’, ne. slouch ‘het hoofd laten hangen, traag zijn’ en abl. nnl. vla. en nnd. slōkeren ‘slap zijn’, slukkern (met express, -pp-), slukk ‘bedroefd’, slokk ‘slap, zwak’, nnoorw. sloka ‘lui zijn’ en oe. slēac ‘slap’, nnoorw. slauk ‘slap mens’. — Alleen te vergelijken buiten het germ. lit. slúgstu, slúgti ‘afnemen, kleiner worden’ (IEW 962).

Men rekent dit woord tot de groep van idg. wt. *(s)leu, waarvoor zie: sluimeren. Het voornaamste blijkt de klankverbinding sl-, want naast *sleuka vinden wij ook *slaka (zie: slaken) en *slīka (zie: slijk). Voor deze klinkervariatie zie J. de Vries PBB 80, 1958, 27). Naast *sluk(k)a vinden wij ook *slugga in nnoorw., nzw. slugga ‘log, moeilijk gaan’ (uit het skand. ook ne. slug, sluggish ‘traag, slaperig’). Er zijn ook woorden die met l- aanvangen, zoals on. loka ‘slap hangen’ en zie verder: log 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sluik bnw., in de 16. eeuw in de bet. “slap, niet flink”. Verwant met eng. to slouch “log loopen, de oogen neergeslagen houden, dom voor zich neerzien”, met ablaut ndl. dial. slok (kk), ndd. sluck “slap” (nog niet bij Kil.; zie slaken), ndd. slokeren “flodderen, slap zijn, neerhangen”, mhd. sluhtisch “traag, lui”, ags. slêac “slap”, noorw. dial. slauk “slappe persoon”, slauka “zich voortsleepen”. Men combineert wel hiermee lit. slúkstu, slúgti “afnemen, slinken”. Veeleer echter moet de woordgroep van sluik in de eerste plaats met die van sluiken gecombineerd worden. Germ. slū̆k- vereenigde op een dgl. wijze als sluf- (zie slof, sloven) de bett. “glijden” en “slap zijn” en evenals sluf- hoort ’t bij slu- (zie slooien). Vgl. ook ’t synonieme sluʒ-, waarvan zw. slugga “traag zijn”, eng. slug “luiaard”, en vgl. zonder s- mhd. (md.) loger, (opperdu.) lücke, lucke (nhd. locker, opperdu. luck, lugg) “los”, log I en verwanten en on. loka “laten hangen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sluik. Adde: wvla. slokeren ‘slap maken, slap worden, verflensen’.- Eng. slug ‘luiaard’ uit het Scand.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sluik bijv.(in alle bet.), van sluiken + Mhd. slûchen + Ru. luzgať = slieren: evenals de stammen van slof en sluipen, uitbreiding van den wrt. sleṷ: z. sleuren.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sluik* glad (van haar) 1840 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut