Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sluier - (verhullende doek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sluier zn. ‘verhullende doek’
Vnnl. slo(e)yer ‘zekere fijne, doorschijnende katoenen of zijden stof’ in 58 ellen sloyers, daer aff laeten maeken der stat ventgen ‘58 el sluier, (en) daarvan laten maken het stadsvaandel’ [1527; Rek. v. Nijm. 3, 355], 100 ellen sloeyers tot een nye ventgen ‘100 el sluier voor een nieuw vaandel’ [1543; Rek. v. Nijm. 8, 148], ‘doek van deze stof’ in Sindalen oft Sluyers (ook sindael was een fijngeweven stof) [1581; iWNT], ‘sjerp als herkenningsteken van een soldaat’ in Velt-teeckens, oft Sluyers, openbaerlick aenghehecht ‘... duidelijk zichtbaar aangebracht’ [1581; iWNT], hoeden ... mit banden sleuyers ... ende alderhande cieraeten versien ‘hoeden, voorzien van banden, sjerpen en allerlei versierselen’ [1589; iWNT kraus], ‘(doorzichtige) hoofddoek’ in de Moeder nam haar sluyertje [1610-19; iWNT], doe nam sy den sluyer, ende bedeckte haer ‘toen pakte ze de sluier en bedekte zich (ermee)’ [1637; Statenbijbel].
Gezien de late datering is het Nederlandse woord wrsch. ontleend aan het Middelnederduits of het Middelhoogduits. Hoogduits Schleier ‘sluier, hoofddoek’ is al sinds het midden van de 13e eeuw in vele varianten geattesteerd, zoals sloger, sloi(g)er, slogier, slei(g)er. Dat het woord in het Nederlands aanvankelijk met oy, oey en al gauw meestal met uy > nnl. ui werd geschreven, is kenmerkend voor leenwoorden met een diftong oi of äü in de brontaal, zie bijv.fluit, → luifel en zie ook → buitelen.
De herkomst van het Neder- en Hoogduitse woord is onzeker. Mogelijk is het een ontlening, maar de brontaal is onbekend (Kluge). Het woord verwijst oorspr. naar een fijn, meestal doorzichtig weefsel, en niet naar een specifiek kledingstuk. Verband met mnl. slooyen ‘langs de grond slepen (van een kledingstuk)’ en het daarvan afgeleide slooye ‘sleep van een kledingstuk’ (zie → sleuren) lijkt daarom onwaarschijnlijk.
Ozw. slöiere ‘sluier (?)’ [1483; Söderwall], nzw. slöijer ‘sluier’ [1609; Hellquist], later slöja ‘id.’ is ontleend aan het mnd., evenals nde. slør ‘id.’.
Lit.: Rek. v. Nijm.: J. Kleijntjens & L. Sormani (1919), Rekeningen der stad Nijmegen, Nijmegen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sluier* [doorzichtige doek] {slo(e)yer [fijne doorschijnende katoenen of zijden stof] 1527} middelnederduits sloier, sloiger, middelhoogduits sloier, sleier [hoofddoek, sluier]; van slooien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sluier znw. m., sedert Kiliaen ‘sluier, hoofddoek, riem, band (om gewonde arm in te dragen)’, mnd. sloier, sloiger m. ‘sluier’, mhd. sloier, sloiger, slogier, sleier m. ‘sluier, hoofddoek’ (nhd. schleier), me. sleir. Er is alle aanleiding om met FW 621 samenhang met mnl. sloie ‘sleep’ en dus met slooien aan te nemen; Kluge-Mitzka 655 denken aan de mogelijkheid van een ontlening, zelfs uit een oosters voorbeeld.

W. de Vries Ts 32, 1913, 302 is van mening dat het woord uit het nd. overgenomen werd. Het werd in het nl. verbonden met het ww. mnl. sluyeren, sloyeren ‘traag zijn, talmen’ en als daarvan afgeleid beschouwd; zie voor dit woord: sleuren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sluier znw., sedert Kil., die de bett. “sluier, hoofddoek, riem, band (speciaal om een gewonden arm in te dragen)” vermeldt. = mhd. sloier, sloiger, slogier, sleier m. “sluier, hoofddoek” (nhd. schleier), mnd. sloier, sloiger m. “sluier”. Bij mnl. sloie “sleep”, sloien “slepen” (zie slooien). Als de o hiervan een ō en geen ô is, kan sluier hetzelfde vocalisme hebben (vgl. lui II: mnl. loy, loey). De. slør “sluier” is ontleend. Zw. slöja “id.” ook?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sluier. Over het vocalisme (ui2) vgl. bij spuiten Suppl.
Zw. slöja zal ontleend zijn aan een (niet overgeleverde) mnd. vorm die aan mnl. slō̆ie beantwoordt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sluier m., Mnl. id. + Mhd. sloier, sleier (Nhd. schleier), bij slooien.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sluier (Duits Schleier)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sluier ‘doorzichtige doek’ -> Fries sluier ‘doorzichtige doek’; Schots † slyre ‘soort fijn linnen of batist’; Deens slør ‘hoofddoek’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slør ‘doorzichtige doek’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slöja ‘doorzichtige doek’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments sleiru (ouder: sluier) ‘doorzichtige doek; sjerp; strik aan de rechterarm van de bruid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sluier doorzichtige doek 1527 [HWS] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut