Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sloven - (zware arbeid verrichten, zwoegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sloven ww. ‘zware arbeid verrichten, zwoegen’
Mnl. sloven ‘schuiven over, bedekken’ in ende die 2 enden over die pipe geslovet ende gevoeget te gadere ‘en de twee uiteinden om de pijp geschoven en aaneengehecht’ [1351; MNW-P], hy sloofde hem selve sinen froc over sine schouderen ‘hij schoof zijn overkleed over zijn schouders’ [ca. 1470; MNW]; vnnl. sloouen de mouwen ‘de mouwen opstropen’ [1599; Kil.], sloven ‘zware arbeid verrichten’ in men slooft om overvloed [1600-10; iWNT].
Mnl. sloven ‘schuiven over’ is afgeleid van het zn. sloof of slove ‘voorwerp dat ergens overheen of omheen glijdt of dat iets bedekt’, zie → sloop 1. Hoe de huidige betekenis hieruit is ontstaan, is onduidelijk. FvW, WNT en EDale veronderstellen een overgangsbetekenis ‘slepen’, NEW en Toll. vermoeden invloed van → sloffen in een betekenis ‘slepend lopen onder een zware last’. Men zou ook uit kunnen gaan van Kiliaans betekenis ‘(de mouwen) opstropen’, iets wat men wel doet tijdens zware arbeid. De betekenis ‘zwoegen’ kan ook afkomstig zijn uit de afleiding (zich) afsloven, uitsloven.
Verder alleen oe. slīefan ‘kleren aantrekken’, afgeleid van slīefe ‘mouw’. Nfri. sloovje ‘sloven’ en sloof ‘sloof’ zijn wrsch. ontleend aan het Nederlands.
sloof zn. ‘afgetobde vrouw’. Vnnl. in Pijndy als een sloof? ‘zwoeg je als een sloof?’ [1600-10; iWNT kwellijk], arme sloof, mach t'huys wel ... de kost met haer handen sitten winnen [1613; iWNT winnen I]. Afleiding van sloven. ♦ uitsloven (zich) ww. ‘zich bijzonder inspannen’. Vnnl. uytsloven ‘uitputten, afmatten’ in als komende uytgheslooft, en in disordre, door de lanckduericheyt, reyse, en ongemacken van de straet ‘terwijl ze uitgeput en in wanorde zijn door de lange duur, de reis en de ongemakken van de zeestraat’ [1621; iWNT], dat men, zonder grond van zaken, Zich uitslooft, eer men dit verklaart, Met futs'len, om hem los te maken [1677; iWNT]. Gevormd met → uit bij sloven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sloven* [hard werken] {slo(o)ven [opstropen, afstropen, iets over iets anders heenschuiven, schuiven] 1351; de huidige betekenis ca. 1610} vgl. middelnederlands sloof [grove mantel, dekplaat, overtrek, bv. van een mouw] (engels sleeve) (vgl. sloop, slopen, sluipen). De huidige betekenis misschien via ‘schuiven’, dan ‘slepen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sloven ww., mnl. slôven ‘opstropen, afstropen, over iets heenschuiven’, oe. slīefan ‘kleren aantrekken’ < germ. *slauƀjan, behorende bij sloof.

In de huidige bet. ‘zwoegen’ mag men eerder denken aan verband met de groep van sloffen en dan uitgaan van ‘slepend gaan’, wat niet alleen uit gemakzucht behoeft te geschieden, maar omdat men een zware last sleept. IEW onderscheidt de idg. *sleub(h) ‘glijden’ en *sleub(h) ‘slap neerhangen’ (IEW 963 en 964); misschien zijn beide wortels toch eigenlijk identiek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sloven ww., blijkens de dial. uitspraak (vla. Goer.) met ô uit au, mnl. slôven “op-, af-stroopen, over iets heenschuiven (trans. en intr.), bedekken”, misschien ook “sleepen”, op welke bet. de tegenw. bet. “zwoegen” teruggaat. = ags. slîefan “iemand iets aantrekken”. Hierbij mnl. sloof m., slôve v. (zie sloof), ags. slîef, slîefe v. (eng. sleeve) “mouw”. Eventueel hierbij ook de ohd. bij sloop, slopen besproken woorden, die dan oude f zouden hebben. Opvallend is de overeenstemming in bet. tusschen deze woordgroep en slopen, sloop. Zeer zeker hebben beide woordgroepen elkaar beïnvloed. Voor sloven moeten we als voor slopen van een grondbet. “doen glijden, schuiven” uitgaan. Sloven staat in ablaut met slof : germ. slauf- (-): sluf-. Voor de bet. vgl. bij slieren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slooven o.w. (op- of afschuiven), Mnl. sloven + Ags. slíefan, bij slof en verder bij sluipen (z. ook sloven).

sloven ono.w. (zwoegen), wordt als identisch met slooven beschouwd, dat overigens ook gewoonlijk sloven gespeld wordt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sloven ‘hard werken’ -> Fries sloovje ‘hard werken’; Vastelands-Noord-Fries slouve ‘hard werken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sloven* hard werken 1610 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut