Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slot - (sluiting; einde; kasteel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slot zn. ‘sluiting; einde; kasteel’
Onl. *slot vanwege de glosse sclot ‘sluiting’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. slot ‘sluiting’ [1240; Bern.], die ingel sloet Die porten van din paradise Met vasten sloten ‘de engel sloot de poort van het paradijs met sterke sloten’ [1265-70; VMNW], ‘versterkt afgesloten bouwwerk, burcht, kasteel’, overdrachtelijk in Mar iet heuet gewest in so starken slote ‘maar het (hart) was gevestigd in zo'n sterke vesting’ [1270-90; VMNW], Inder prochie van Loenen ... biden slote ‘in de parochie van Loenen, bij de burcht’ [1308; MNW], ‘einde’ in Hiermede een slot, elc ga in vreden [1400-50; MNW].
Ablautend zn. bij → sluiten, zowel in de betekenis ‘dichtdoen’ als ‘eindigen’. De betekenis ‘kasteel’ is ontstaan uit ‘afgesloten plaats’, vandaar ‘versterkt, afgesloten gebouw’.
Mnd. slot; ohd. sloz (nhd. Schloss); nfri. slot; alle ‘sluiting; burcht’, < pgm. *sluta-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slot* [sluiting, einde] {1201-1250} van sluiten. In de uitdrukking het heeft slot noch zin [er is geen touw aan vast te knopen] heeft slot nog de middelnl. betekenis van ‘samenhang, logische volgorde’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slot znw. o., mnl. slot o. ‘sluiting, grendel, gesloten ruimte, kasteel, einde, slotsom, samenhang, besluit’, onfrank. sclot ‘seras’, mnd. slot o., ohd. sloʒ (nhd. schloss), me. slot ‘grendel’ (indien dit niet < mnl. slot, vgl. Toll 48). — Afl. van sluiten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slot znw.o., in alle bett. één woord, mnl. slot o. “sluiting, grendel, gesloten ruimte, kasteel, einde, slotsom, samenhang, besluit”. = onfr. sclot “seras”, ohd. mhd. sloʒ (nhd. schloss), mnd. slot o. in dgl. bett. als mnl. slot, meng. (nog dial.) slot “grendel”. Bij sluiten. Formatie als bod.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slot. Meng. eng. slot is van het continent ontleend. Toll Lehng. 48.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slot o. (in alle bet.), Mnl. slot + Ohd. sloz (Mhd. sloʒ, sluʒ, Nhd. schlosʒ, schlusz): van denz. stam als ʼt meerv. imp. van sluiten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sloot (zn.) slot; Vreugmiddelnederlands slot <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

slot: in slot doen (deed, heeft gedaan), (weinig gebr.) op slot doen. Toen ik de laatste leerling uitgewuifd had en de deuren van de kast in het slot deed zag ik pas hoe mijn handen trilden (Roemer 1982: 47). - Zie ook: op slot*.
— : op slot, (ook:) 1. (weinig gebr.) niet open voor klanten, gesloten (gezegd van winkel). - 2. opgeheven (gezegd van winkel).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

slot Wie omstreeks 1880 in Gent in een kroeg een slot bestelde, werd niet vreemd aangekeken. Nu wel. Toen was het een gangbaar woord voor ‘borrel’ — een van 26 Gentse borrelnamen die het tijdschrift Noord en Zuid in 1881 in een lijstje opnam. Slot werd in deze betekenis later echter niet opgenomen in het voornaamste Gentse woordenboek. Mogelijk werd het gebruikt voor het laatste drankje, zeg maar: tot slot.

[NZ 4:100]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slot ‘kasteel’ -> Engels † slot ‘kasteel’; Deens slot ‘kasteel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slott ‘kasteel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slott ‘kasteel’ (uit Nederlands of Nederduits).

slot ‘sluiting, einde’ -> Engels slot ‘grendel; slotbout; metalen staaf; kruisbalk’; Schots slot, slote ‘grendel; tralie’; Deens slut ‘sluiting, einde’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors slutt ‘einde’ (uit Nederlands of Nederduits); Maltees slott ‘grendel; slotbout; metalen staaf; kruisbalk’ ; Ewe sroto ‘sluiting, einde’; Gã sloto, slotto ‘sluiting, einde’; Twi sroto ‘sluiting, slot’; Indonesisch selot ‘sluiting’; Alor-Maleis slot ‘sluiting’; Ambons-Maleis slot ‘sluiting’; Jakartaans-Maleis slot ‘hangslot’; Javaans selot ‘sluiting’; Kupang-Maleis slot ‘sluiting’; Madoerees sēllot ‘slot, sleutel’; Menadonees slot ‘sluiting’; Savu heloto ‘sluiting’; Soendanees sĕlot ‘sluiting’; Ternataans-Maleis slot ‘sluiting’; Singalees † solocciya ‘gesp’; Papiaments slòt (ouder: slot) ‘sluiting’; Sranantongo sroto (ouder: slotto) ‘sluiting’; Saramakkaans söoto ‘sluiting’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slot* sluiting, einde 1240 [Bern.]

slot kasteel 1527 [WNT opplunderen]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2079. Slot noch zin hebben,

d.w.z. hoegenaamd geene beteekenis hebben; eig. geen gegronde reden, noch beteekenis hebben; gezegd ‘van eene rede of een geschrift, waarin een goede zin en samenhang ontbreekt, waarin het een niet op het ander sluit’ (vgl. no. 2081). Het znw. ‘slot’ in den zin van samenhang, logische volgorde komt reeds in het Mnl. voor; zie verder Winschooten, 263: Ten had geen slot: ten sloot niet, de reedenen hadden geen klem; Vondel, Leeuwendalers, vs. 1041: Vergeefme dat ick u bedille, zonder slot. Bij Hooft, Warenar, vs. 307: Heeft dit ook slot? d.i. sluit dit, past dit, is dit betamelijk? Cats, Sp. Heyd, vs. 1939: Vrij wat slots hebben, d.i. zin hebben, eig. wat sluit, overeenkomt met het gezond verstand; Vondel, Bat. Gebroeders vs. 1612: Zonder gront en slot; Sewel 725: Die reden heeft zin nog slot, that's a nonsensical reason; vgl. 17de eeuw: niet sluiten en 't syn. slot noch end hebben. Bij V. Schothorst, 199: dat het geen slot of val (vgl. het 17de-eeuwsche slot noch val hebben). Vgl. fr. n'avoir ni rime ni raison; hd. weder Sinn noch Verstand haben; eng. neither rhyme nor reason; fri. dat praet sit slot noch sin yn; dêr sit slot noch styl yn.

2080. Bij slot van rekening,

ten slotte, per slot (van rekening), eindelijk; alles wel beschouwd; oorspr. bij 't sluiten van de rekening, nadat de rekening is opgemaakt; 16de eeuw: bi slote van rekeninge; vgl. voor later tijd Halma, 587: Slot van rekening, solde de compte, liquidation; Sewel, 725: Slot van rekening, a clearing of accounts or a ballancing of accounts. In den tegenw. zin komt de uitdr. voor in C. Wildsch. I, 63: Gij komt tog altoos bij slot van rekening nog al in mijn schuitje. Hiernaast op 't laatst van de rekening (Esopet, Toverlantaaren, 7) en bij 't sluiten van de rekening (Br. v. Abr. Bl. I, 1). Zie Harreb. II, 216; Afrik. per slot van rekening.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut