Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slordig - (onordelijk; onoplettend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slordig bn. ‘onordelijk; onoplettend’
Vnnl. sloordisch ‘onordelijk’ in Een Cappe ... sloordisch ende vet [1560; iWNT zijn I], slordich ‘id.’ in Dat zy slordich ... ende onachtsaem is binnens huys ‘... in het huishouden’ [1583; iWNT te I], sloorigh, sloordigh ‘vuil, armzalig, onfatsoenlijk’ [1599; Kil.], slordigh in 't praten [ca. 1600; iWNT], zijn seer slordich ghemaeckt [1602; iWNT], Haer slordige onmaticheit [1609; iWNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -ig (in de oudste attestatie → -isch) van vnnl. sloore ‘slons, lelijke of vuile vrouw’ [1573; Thes.], al mnl. in Sijn moeder was ... Een gygantinne, ene slore ‘zijn moeder was een reuzin, een slechte vrouw’ [1390-1410; MNW-R], zie → sloerie. De -d- is een epenthetische -d-, die misschien ontstaan is onder invloed van slodderen (FvW) of anders via een tussenvorm vnnl. *sloorderig.
Afleiding van slord (vero.) ‘vod; slons’ (NEW) is onwaarschijnlijk: dat woord is jonger en bovendien weinig frequent.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slordig* [niet verzorgd] {sloor(d)igh 1599} vermoedelijk ontstaan o.i.v. sloore [vuilpoes] {1599} (vgl. sleuren) en van slodderen (vgl. slordevos).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

slordig

Uitgegaan moet worden van het zelfstandige naamwoord slord: lap, vod, flard. Hierbij horen ook slors dat: slons, vuilpoets betekent, sloor met dezelfde betekenis en de bijvoeglijke naamwoorden slorig en slorzig. Al deze woorden vertegenwoordigen begrippen als: onordelijk, haveloos, niet met zorg onderhouden, onachtzaam, morsig, vuil en wat daarmee samenhangt. Een eigenaardig gebruik van het woord slordig vindt men in zinnen als: dat zal wel een slordige duit kosten en: hij drinkt een slordige borrel. De betekenis is in deze gevallen: in onbehoorlijke mate, met de bijgedachte: het komt er blijkbaar niet op aan (hoeveel het kost, hoeveel hij drinkt).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slordig bnw., sedert Kiliaen sloorigh, sloordigh ‘vuil’. Afgeleid van een verouderd slord ‘flard, oude lap’, dat een afl. is van sleuren en de daar genoemde woorden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slordig bnw., sedert Kil.: “sloorigh, sloordigh. Sordidus”. Kil. sloordigh, ndl. slordig is wsch. zoowel onder invloed van Kil. sloorigh (van sloore “vuilpoes”, zie sleuren) als van slodderen, slodderig opgekomen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slordig. Jonger dan het bnw. is wsch. het znw. ouder-nnl. (nog noordholl.) slord ‘flard, lap, vod’. Andere hierbij behorende formaties zijn ouder-nnl. slors ‘ slordig persoon, slons’ en het bnw. nnl. slorzig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slordig bijv., Kil. sloorigh, sloordigh van sloor 1, met epenthet. d en verkorte o.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slordig: – slodderig/slorsig – , onnet; Ndl. slodderig/slordig/slorsig (by Kil sloor(d)igh, “vuil”), ondersk. afl. v. slod, slord en slors, almal in bet. “(vuil) lap”, en wsk. verb. m. sloerie (q.v.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slordig, van ’t oude slorde = vod, of als bijv.nw. slordig; het is afgeleid van sleuren en bet. dus: wat van ’t kleed over den grond sleurt, dus: een vod. – Vgl. een sloerie: vuil, verachtelijk vrouwspersoon, beantwoordend aan slet, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slordig ‘niet verzorgd’ -> Javaans dialect † slordhekh ‘niet verzorgd’; Papiaments slòrdu ‘niet verzorgd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slordig* niet verzorgd 1599 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut