Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slopen - (afbreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slopen ww. ‘afbreken’
Mnl. slopen ‘afbreken’ in Vander grooter kupen te sloopen ende weder toe te maken ‘voor het demonteren en weer in elkaar zetten van de grote kuip’ [1377-78; MNW]; nnl. ook ‘te gronde richten (van een persoon)’ in haare krachten zijn gesloopt [1796; iWNT], slopende taak ‘uitputtende taak’ [1910; iWNT].
Ohd. sloufen ‘naar binnen laten glippen’ (mhd. sloufen); ofri. slēpa ‘om de hals leggen (een strop)’ (nfri. slope, sloopje o.i.v. het Nederlands); oe. slīepan ‘(een kledingstuk) aantrekken’; got. af-slaupjan ‘afschuiven, afleggen’; < pgm. *slaupijan-, causatief bij *sleupan- ‘glijden’, zie → sluipen. De betekenisontwikkeling voor het Nederlands is dus ‘doen schuiven, doen glijden’ > ‘loswikkelen, losschuiven’ > ‘uit elkaar halen, afbreken’.
sloop 2 zn. ‘het slopen’. Nnl. in ter sloop verkogte vaartuigen [1788; iWNT]. Afleiding van slopen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slopen* [afbreken] {1377-1378 in de betekenis ‘slepen, voortslepen, uit elkaar nemen’} oudsaksisch slopian [losschuiven], fries slepa, oudengels sliepan [aantrekken, uittrekken], gotisch afslaupjan [afschuiven, afleggen]; causatief van sluipen zoals zogen bij zuigen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slopen ww., mnl. slôpen ‘uit elkaar nemen’ en ‘slepen’, os. slōpian ‘loswikkelen, losschuiven’, ohd. sloufen ‘ergens in steken’, ofri. slēpa ‘om iets heen slaan, oe. slīepan ‘aantrekken, uittrekken’, got. afslaupjan ‘afschuiven, afleggen’. Dus eig. ‘doen glijden, schuiven’, causatief bij sluipen, zie ook: sloop. — In de bet. ‘afbreken, slechten’ > nnd. schlōpen (Bremen 1770; vgl. Kluge, Seemannssprache (696).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sloopen ww., mnl. slôpen “uit elkaar nemen” en “sleepen”. = ohd. sloufen (of = sloven?) “ergens in steken” (ona-sloufen “induere”), os. slôpian “loswikkelen, los-schuiven”, ofri. slêpa “om iets heen slaan”, ags. slîepan “aan-, uit-trekken”, got. af-slaupjan “afschuiven, afleggen”. De oorspr. bet. was “doen glijden, schuiven”; dit woord is een causatief-formatie bij sluipen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sloopen o.w., Mnl. slopen, Os. slôpian + Ohd. sloufen (Mhd. slöufen, Nhd. schleifen), Ags. slíepan, Fri. slépa, Go. slaupjan: factit. van sluipen; vergel. zoogen — zuigen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2sloop ww.
1. Afbreek, uitmekaar haal. 2. Langsaam vernietig, ondermyn.
In bet. 1 uit Ndl. slopen (al Mnl.), die kousatiewe vorm van sluipen 'sluip'. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sloopen, van den Germ. wt. slip, slup = glijden; zie Sluipen; evenals sleepen bet. het: over den grond laten glijden en daardoor den bodem glad maken; bijv. een huis sloopen: het huis in stukken over den grond sleepen en daardoor den grond glad, gelijk, effen maken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slopen ‘afbreken’ -> Duits schlopen ‘(een schip) afbreken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds slopa ‘afbreken; afschaffen’; Fins luupata ‘afbreken, slopen van een boot’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slopen* afbreken 1377-1378 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut