Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slop - (steeg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slop zn. ‘armoedige steeg’
Mnl. slop ‘nauwe doorgang, doodlopende steeg, schuilhoek’ in van dat slop van die Nieuwe strate ... tot die Wellestrate toe ‘van de doodlopende steeg aan de Nieuwstraat tot aan de Wellestraat’ [1381; MNW], van den slope dat P. betymmert heeft ‘over de doorgang die P. gebouwd heeft’ [1415; MNW]; vnnl. slop ‘armoedige steeg’ in Alsulcke particuliere sloptjens ... niet anders en syn als sluypplaetsen voor ongeregelde menschen ‘zulke private steegjes dienen alleen maar als schuilplaats voor gespuis’ [1633; iWNT].
Afleiding van de wortel van → sluipen, zie → sloop 1.
Mnd. slop ‘nauwe doorgang’.
Het woord is tegenwoordig vooral bekend in de uitdrukking in het slop raken ‘in verval raken’ en in de samenstelling sloppenwijk ‘wijk met steegjes en veel armoedige woningen’. Omdat hierbij vooral gedacht wordt aan de armoedige woningen en niet zozeer aan de steegjes, wordt sloppen ook wel gebruikt in de betekenis ‘armoedige woningen in een sloppenwijk’, bijv. in Ze hangen werkloos rond tussen de sloppen in hun woonstad [1993; Parool].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slop1* [steeg] {1381 in de betekenis ‘schuilhoek, sluiphoek, doodlopende steeg, nauwe doorgang’} van sluipen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slop znw. o., mnl. slop o. (maar nog verbogen slōpes zoals nog in dial.) ‘schuilhoek, slop, nauwe doorgang’, mnd. slōp ‘gat in een omheining’, mhd. slouf m. ‘schuilhoek, het sluipen’. — Evenals sloop een afl. van sluipen. — > me. slop (1375), ne. dial. schots slap ‘opening in een muur of heg’ (sedert 1375. vgl. Bense 390).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slop znw. (het, de); mnl. slop o. (verbogen slōpes enz.; zoo nog dial.) “schuilhoek, slop, nauwe doorgang”. Vgl. mhd. slupf m. “schuilhoek, het sluipen” (ook “strik”), slouf, slûf m. “het sluipen, ontkomen”, sloufe v. “opening”, mnd. slôp (o.?) “gat (in een omheining)”. Bij sluipen. Vgl. vooral sloop. Voor dial. glop naast slop zie gluipen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slop. Eveneens bij sluipen, met soortgelijke bet. Kil. slochter ‘fossa’, Noordholl. slofter, slufter ‘geul, kreek’, mhd. sluft v. ‘schuilhoek’ (hd. schlucht v. ‘kloof’ met ndd. consonantisme).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slop o., Mnl. id., van denz. stam als ’t meerv. imp. van sluipen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sluipen, van den Germ. wt. slup, verwant met slip = glijden, zie Slijpen. Het woord w.d.z.: glijdende gaan met het bijbegrip van: zacht, ongemerkt, slinks. – Afl. is slop en sloop.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slop ‘opening, steeg’ -> Engels slap ‘gat, opening; bergpas; wond (verouderd)’; Schots slap; slop ‘gat, opening; snee, wond; bergpas’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slop* steeg 1381 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut