Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sloot - (gegraven waterloop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sloot zn. (NN) ‘gegraven waterloop’
Onl. slōt ‘sloot, gegraven waterloop’ alleen in toponiemen: de Sclotis, de Sclautis ‘van Slote (voormalig dorp bij Oostakker, Oost-Vlaanderen)’ [beide 639, kopie 941; Gysseling 1960] (gelatiniseerd, en met ingelaste -k-, die in het onl. en mnl. wel vaker voorkwam in de combinaties sl- en sn-), in uilla Slota ‘in het dorp Slote’ [1019-30; Gysseling 1960], Ekerslate, Ekerslote ‘Akersloot (Noord-Holland)’ [1105-20 resp. 1125-30, beide kopie ca. 1420; Künzel]; mnl. sloot in in die made. tusscen den dicscloet ende den maes sloet ‘in het hooiland tussen de Dijksloot en de Maassloot’ [1280-87; CG I, 506].
Mnd. slōt; ofri. slāt (nfri. sleat); < pgm. *slauta-.
Ablautend zn. bij *sleutan-, zie → sluiten. Een sloot diende oorspr. ter afscheiding van stukken grond (FvW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sloot* [gegraven water] {in de vroegere Oost-Vlaamse plaatsnaam Sclota 966, sloot 1280-1287} middelnederduits slot, oudfries slāt; vermoedelijk te zien als ablautend bij sluiten en dan als ‘scheiding van landerijen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sloot znw. v., mnl. sloot m. v., mnd. slōt, ofri. slāt ‘sloot, gracht’ < grondvorm *slauta.

De verklaring van dit vrij geïsoleerde woord is twijfelachtig. — 1. Men kan verbinden met sluiten en dan de sloot beschouwen als dienende tot het afsluiten van grondstukken van elkaar. Het is echter de vraag of de sloot oudtijds deze functie had. — 2. ne. sleet ‘regen met hagel of sneeuw’ (vgl. nijsl. slydda), nnd. slöten ‘hagel’, mhd. slōz, slōze (nhd. schlosze) ‘hagelsteen’, nnoorw. slutr ‘regen met sneeuw’, die samenhangen met on. slota, slūta ‘slap afhangen’, nhd. dial. schlossen ‘slap worden, dooien’, zie verder bij slodderen (IEW 963). — 3. van de idg. wt. *leu ‘modder’, vgl. gr. lũma ‘modder, smaad’, lat. lūtum ‘drek’, polluo ‘bevlekken’, oiers loth ‘vuil’, lit. lutýnas ‘poel’ (Holthausen IF 32, 1913, 334). Een bezwaar zou kunnen zijn, dat nergens in het idg. een wortel *sleu optreedt. — W. de Vries Ts 40, 1921, 98 wijst op vormen met d, waarop het gron. mv. op -den zou wijzen, evenals holl. dial. slooie, breda slooike < slōdeke; er is daarom nog geen aanleiding nnl. sloot uit een ouder *slood af te leiden; eerder kan men aan varianten denken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sloot znw., mnl. sloot m. v. = mnd. slôt m., ofri. slât m. “sloot, gracht”. De eenige etymologie, waardoor zoowel vorm als bet. goed verklaard worden, ziet in dit znw., germ. *slauta- een ablautvorm bij sluiten; oorspr. bet.: “sloot tot afscheiding van stukken grond”. De bet. “poel” in ’t laat-Mnl. en den Teuth., nog ndd. dial., is dan secundair en gaat op “sloot, moddersloot” terug. Een andere hypothese, die verwantschap met nhd. dial. schlossen “slap, week worden, ontdooien”, schlotzen “met vuiligheid te doen hebben, traag, nalatig zijn”, eng. sleet “regen en sneeuw of hagel dooreen”, noorw. dial. slutr “regen en sneeuw dooreen”, on. slûta, slota “neerhangen, traag, flauw zijn” aanneemt (een basisvariant van slodderen enz.), is onaannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sloot. Hoewel de hier gegeven etymologie de aantrekkelijkste blijft, verdient toch ook — wegens de tamelijk oude en verbreide bet. ‘poel’ — overweging de combinatie met lat. lutum ‘drek’, lustrum ‘poel, moeras’, ier. loth ‘vuiligheid’, gr. lu͂ma[Grieks] ‘modder, lúthros, -on ‘bezoedeling’ (Holthausen IF. 32, 334), waarbij wsch. ook ksl. luža ‘palus, lacuna’, lit. liũgas, lũgas ‘moeras’ behoren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sloot v. (gracht), Mnl. id. + Ndd. slot, Ofri. slát = afsluitingsgracht, van denz. stam als ʼt enk. imp. van sluiten.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

sloot 'gegraven lang en smal water dat tot afscheiding of voor afwatering dient'
Onl. slote, mnl. sloot, ofri. slât, nfri. sleat, mnd. slôt 'gegraven lang en smal water dat tot afscheiding of voor afwatering dient', verwant met het werkwoord sluiten 'afsluiten, afscheiden'. De verspreiding van dit woord is zeer beperkt (Nederland en aangrenzende gebieden). Een sloot diende voor het van elkaar afsluiten van grondstukken. Oudste attestaties: 1e helft 11e eeuw Sloton (→ Sloten2)1, 1105-1120 kopie ca. 1420 Ekkerslato (→ Akersloot)2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 326, 2Idem 59.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

sloot. In Amsterdam kent men als variant van het verwensingsversje wat je zegt, ben je zelf// met je kop door de helft,// met je kop door de muur,// ben je morgen lekker zuur de volgende tekst: wat je zegt, ben je zelf,// met je kop door de helft// met je kop in de sloot,// ben je morgen lekker dood. In de tweede en derde regel zie ik elliptische antwoordverwensingen. Dus (val) met je kop door de helft! en (val) met je kop in de sloot! De letterlijke betekenis van deze verwensingen wordt hier niet uitgedrukt. Het gaat veel meer om de emotionele, en die drukt boosheid, afkeer, haat enz. uit en kan het best weergegeven worden door ‘verdwijn uit mijn ogen, ik heb een vreselijke hekel aan je gekregen’. Ook in een variant op het verwensingsversje stik, verrek, verrot, verteer enz. komt de regel val in sloten, breek je kloten, sterf! voor. Ik noteerde die voor Breda. → doodvallen, elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, touw, vallen, verf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sloot ‘gegraven water’ -> Duits dialect Sloot, Slôt, Schloot, Schlot, Slaut ‘gegraven water’; Frans dialect lotia ‘kleine uitgegraven sloot om de doortocht over grond te verhinderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sloot* gegraven water 0966 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1211. Oude koeien uit de sloot halen,

d.w.z. oude reeds lang vergeten zaken, twisten, grieven weer oprakelen. Bij Servilius, 207 luidt deze spreekwijze laet gheen oude koyen wter grachten trecken in de bet. van ne malorum memineris; bij Sewel, 403: De verdronke koe uit de sloot haalen (de slaapende hond wakker maaken), to revive or renew a quarrel; Halma, 275. De bedoeling zal geweest zijn, koeien die al lang verdronken zijn, weer uit de gracht ophalen, hetgeen we meenen te mogen opmaken uit Gew. Weeuw, II, 24: Zy haalen koejen uit de sloot, die dertig jaar verdronken zijn geweest; Pamfl. Muller no. 3338, samenspr. c. 45: Dat zijn oude verdroncken koeyen uit de sloot gehaelt; Pers, 186 b: En alsoo hier door de oude koeyen van 't jaer 49 en 50 wierden uyt de sloot gehaelt. Zie ook nog W. Leevend I, 262; Abr. Bl. 210; V. Janus, 369; III, 36: Oude koeien stil laten liggen; Schoolm. 123. In Zuid-Nederland is deze spreekwijze algemeen in gebruik; Teirl. II, 159: oude koeien uit de gracht halen naast ge moet geen ouwe peerden uit de gracht halen (Antw. Idiot. 1962); zie Joos, 108; 147; Schuermans, 269; Waasch Idiot. 359; Villiers, 65; Volkskunde IX, 204, evenals in het Friesch: hy hellet âlde ky út 'e sleat, waarnaast ook bekend is gjin âlde kestanjes út it fjûr helje, geen oude grieven opperen. Zie verder Harreb. III, 263.

2078. In (of naar) geen zeven (of twee) slooten tegelijk loopen,

d.w.z. niet onvoorzichtig zijn, goed uitkijken, niet van gisteren zijn. Vgl. Snorp. 29: Daerom vreest men Man oock voor een ongelock; maer, datjet weet, ick en sel in gien twie slooten gelijck loopen; Tuinman I, 271: Hij zal in geen twee slooten seffens loopen (ook Nal. 14); C. Wildsch. VI, 26: Nu Tantelief! al je zorg en kwelling was voor niet: heb ik je niet altijd gezegd dat Keetje in geen twee slooten te gelijk loopen zou? Nest, 33; 101: Ik zal naar geen zeven slooten te gelijk loopen; J. Steynen, Verbijsterden, 24: Ze was een flinke bij-de-hande meid, zou in geen zeven slooten tegelijk loopen; V.v.d.D. 8: Ik mopperde dat ik toch zeker wel de baas over me zelf was en dat ik in geen zeven slooten tegelijk zou loopen; Ndl. Wdb. VIII, 2830. Vgl. voor Zuid-Nederland Waasch Idiot. 667: Hij zal in geen twee grachten te gelijk springen, als er maar een is, hij is slim, voorzichtig; Antw. Idiot. 2097: Hij zal in geen twee grachten (of slooten) te gelijk springen, hij is te slim om zich te laten beetnemen; Teirl. 515.

2512. Iemand van den wal in de sloot helpen,

d.w.z. ‘iemand onder schijn van dienst, ondienst doen, en zijne zaaken verergeren’ (Tuinman I, 189). Vgl. Sart. III, 1, 33: Ghy soudt hem van de wal in de sloot helpen, ubi quis prodesse conatus ingens addidit malum; ook III, 7, 79; Smetius, 26; Winschooten, 262: Iemand helpen van de wal in de sloot: iemand quaaden raad geeven, ook wel iemand oover het paard helpen en onder schijn van vrindschap bedriegen; Halma, 763; Sewel, 935: Van de wal in de sloot, out of the frying-pan into the fire; Harreb. II, 275; De Arbeid, 8 April, 1914 p. 3 k. 2; Nkr. VII, 25 Maart p. 3; afrik. iemand van die wal in die sloot help; Ten Doornk. Koolm. III, 498. Syn. is iemand van den wal in de gracht helpen (Lichte Wigger, 5 r); van 't kantje in de sloot helpen (Huygens); iemand van het bed op het stroo helpen (Schuerm. 33 b; Smetius, 109; Breuls, 96; Onze Volkstaal II, 229); Zaansch: iemand in het wak leiden (Boekenoogen, 1180); van de(n) kant in de gracht helpen (Tuerlinckx, 302; Antw. Idiot. 617); enz.; fri. hy helpt my fen 'e wâl (ôf) yn 'e sleat; oostfri. ên fan de wal in de slôt helpen.

2513. Van den wal in de sloot (ge)raken (of vallen),

d.w.z. van een slechten toestand in een nog erger vervallen. Vgl. Sart. I, 5, 62: Loopt niet van de wal in de sloot, admonemur ne sic vitium aliquod fugiamus, ut in aliud majus incauti devolvamur; Lichte Wigger, 5 r: Van de wal in de gracht; Van Eijk III, 10: Hy raakt van den wal in de sloot, van de eene zwarigheid in de andere; Harreb. II, 275. De Romeinen zeiden de fumo ad flammam cadereVgl. Interest, 234: Van den rook in 't vier springen. als navolging van het gri. τον καπνον φευγων εις πυρ ενεπεσεν, hetzelfde als van de Scylla in de Charybdis; van den regen in den drop; van den oever in den dijk (Schuerm. 418 a); van 't bad in 't voetwater (Joos, 69; Waasch Idiot. 86 aIn de 16de eeuw: iemand van den bak in 't voetwater leiden (zie Vad. Mus. IV, 308).); van eene scheele op eene blinde vallen (Rutten, 198 bVgl. het fr. changer son cheval borgne pour un aveugle.); van de branding in den maalstroom (Sewel, 472); van de klaveren naar de biezen of naar 't gras (Schuermans, 247 b); van den (schoot)kant in den gracht vallen ('t Daghet XII, 187; Waasch Idiot. 323; 582); vgl. no. 1920.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut