Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sloof - (voorschoot met korte mouwen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sloof1* [voorschoot met korte mouwen] {slove, sloof, sloef [grove mantel of pij, dekplaat, voorhuid] 1481} nederduits sluve, oudengels sliefe (engels sleeve) [mouw], van middelnederlands sloven [opstropen, afstropen, iets ergens over schuiven] (vgl. sloven).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

sloof

Het woord sloof komt in twee betekenissen voor. Men duidt er zowel een persoon als een kledingstuk mee aan. Naar de persoon is het woord altijd vrouwelijk en het kledingstuk wordt alleen door mannen gedragen. Dat is vreemd. Wij moeten uitgaan van het werkwoord sloven: trekken, over iets heen of van iets afstropen en vandaar: zwoegen. Vandaar dat sloof betekent: vrouw die veel en zwaar huishoudelijk werk doet en vooral: vrouw op leeftijd die niet meer tegen dat werk opgewassen is, dus: stakker, afgetobde ziel. Als kledingstuk is een sloof: een voorschoot zoals bepaalde werklieden dat vroeger wel droegen, in het bijzonder slagers, wijnkopersknechts e.d. Hun sloof was soms van leer. Er is etymologisch zeker verwantschap tussen sloof: schort en sloop: overtrek om een kussen en tussen sloven en slopen: afbreken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sloof 1 znw. v. ‘voorschoot’, mnl. sloof ‘grove mantel, pij, voorhuid, dekplaat’ en slove v. ‘overtrek, omslag, voorhuid’. Daarnaast staan abl. Kiliaen sloef ‘minderwaardige overjas of mantel’ (nog vla. maar Westerkwartier sloef ‘overtrek over een zere vinger’), dial. nog sluif (Barendrecht), nhd. dial. schlaube nnd. sluve ‘vruchtschil, peul’, nwfri. slūf ‘overtrek van zere vinger’, oe. sliefe ‘mouw’, (ne. slieve). — Eig. ‘iets dat men over iets anders laat glijden’, zie: sloven en verder nog sloop.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sloof (voorschoot), mnl. sloof (m.?) “grove mantel, pij, voorhuid, dekplaat” naast slôve v. “overtrek, omslag, voorhuid”, ook een timmermansterm. Kil., nog vla. sloef “minderwaardige overjas of mantel” zou formeel met een ndl. *slof overeen kunnen stemmen (vgl. slof I); in geen geval mag ’t van sloof gescheiden worden. Zie verder sloven. — Sloof (huissloof, slovende vrouw) is eer van sloven gevormd dan met sloof “voorschoot” identisch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sloof 1 v. (voorschoot), Mnl. sloof, slove + Hgd. schläufe, schleife, Eng. sleeve, bij slooven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sloof ‘voorschoot met korte mouwen’ -> Duits Slowe ‘voorschoot; slordige vrouw’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sloof* voorschoot met korte mouwen 1481 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut