Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sloerie - (slet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sloerie zn. ‘slet’
Mnl. slore ‘slechte vrouw’ in Sijn moeder was ... Een gygantinne, ene slore ‘zijn moeder was een reuzin, een slechte vrouw’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. sloore ‘slons, lelijke of vuile vrouw’ [1573; Thes.], slory, sloery ‘id., lichtzinnige vrouw’, in Dan kan onse Sloere-slory, Dantelory, Ras opstaen van hare val [1629; iWNT], vuyle sloeryslet [1641; iWNT], ook sloer ‘lichtzinnige vrouw’ in menig sloer hier binnen onze Stad [1644; iWNT sloer I].
Sloer is wrsch. een nevenvorm van sleur (v.) dat zowel ‘vod’ als ‘sloof’ en ‘sullige vrouw’ betekent, vergelijk ook mnl. sloore ‘slons, lelijke of vuile vrouw’, zie → slordig.
Nzw. (dial.) slör f. 1. vaatdoek; 2. slet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sloerie* [slet] {1645 als ‘sullige vrouw’; als ‘slet’ 1681} met behoud van de oorspr. germ. oe, middelnederlands slore [morsig of traag iem., ook: slet]; bij sleuren, gronings sloeren, fries sloeresloor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sloerie znw. v., sedert de 17de eeuw, staat naast sloor ‘slordige vrouw’ em verder mhd. slūr m. ‘rondslenteren, luibak’, nnoorw. slūre ‘traag mens’. — Zie: sleuren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sloerie znw., nog niet bij Kil. Met dial. oe < germ. û (vgl. poes I) bij de woordfamilie van sleuren. Evenzoo sloeren “meten, opnemen (een vaartuig)”, al bij Winschooten (1681): òf = oudnnl. slûren “sleepen” òf van een znw. *sloer(e) “(slepend) touw” gevormd. Eventueel kan sloerie ditzelfde znw. zijn: voor de bet. vgl. slons. Vgl. voor de bet. van sloeren eng. to line “sloeren” van line “touw”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sloerie znw., reeds in de 17e eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sloerie v., van sloeren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sloerie s.nw.
1. Slordige vrou. 2. Slet.
Uit Ndl. sloerie (1645 in bet. 1, 1681 in bet. 2), met behoud van die oorspr. Germ. oe-klank wat in sommige dial. bewaar gebly het, bv. in Gronings sloeren en Fries sloere, gevorm van die stam van sleuren 'op ruwe wyse of langsaam voortgaan'.
Vgl. Noors slûre 'trae mens'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sloerie: slordige vrou; Ndl. sloerie, verb. m. ww. sleuren, “langsaam voortgaan, sloer, talm”, misk. ook verb. m. Eng. slut en slattern.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

sloerie: oorspronkelijk aanduiding voor een onzindelijk, slordig type, een slons*, later ook gebruikt voor een gemene en ontuchtige vrouw; slet*. In de zeventiende eeuw betekende sloerie ook nog ‘sullige vrouw’. Het woord werd reeds opgetekend in 1645.

‘In mijn huis geen sloeries!’ zei de rotschoft en smeet de deur dicht. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)
Dan had ze hem tóch beet gehad, de sloerie! (Jan Mens, De kleine waarheid, 1967)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slordig, van ’t oude slorde = vod, of als bijv.nw. slordig; het is afgeleid van sleuren en bet. dus: wat van ’t kleed over den grond sleurt, dus: een vod. – Vgl. een sloerie: vuil, verachtelijk vrouwspersoon, beantwoordend aan slet, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sloerie ‘slet’ -> Fries sloery ‘slet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sloerie* slet 1681 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut