Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sloep - (vaartuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sloep zn. ‘vaartuig’
Vnnl. sloepe, sloepken ‘kleine boot’ [1588; Kil.], chaloupe, saloupe ‘id.’ in soo wert de chaloupe innewaert aen gesonden ‘toen werd de sloep landinwaarts gezonden’ [1600; iWNT verzien IV], ende de 700 man geladen in de saloupen [1601; iWNT effectueeren], Hebbende eenige saloupen binnen Scheeps-boort [1602; iWNT].
Ontleend aan Frans chaloupe [16e eeuw; TLF], ouder chaloppe [1522; TLF], in het Nederlands met wegval van de verdofte klinker (sjwa) in de eerste, onbeklemtoonde lettergreep, zoals ook in → klant, → kraal, → krant, → krent, → kroon, → kroot, → pluche, → pruik, → sla. Het Franse woord is ontstaan door overdrachtelijk gebruik van Middelfrans chaloppe ‘notendop’, nevenvorm van Oudfrans eschalope ‘dop, schil’, dat is afgeleid van eschale ‘schil, eierschaal’ met de uitgang van enveloppe ‘omhulsel’ (zie → envelop). Oudfrans eschale is een Frankisch leenwoord en gaat terug op dezelfde bron als Nederlands → schaal 1.
Men neemt ook wel de omgekeerde ontleningsrichting aan (FvW, NEW), maar daar zijn geen goede argumenten voor. Het Nederlandse woord zou verwant zijn met → sluipen of met → slopen (sloepen waren soms gemakkelijk demonteerbaar), hetgeen zowel qua vorm als betekenis twijfelachtig is. Bovendien blijft dan de -a- uit het Frans onverklaard, evenals het feit dat ook in Nederlandse teksten de oorspronkelijke en half aangepaste vormen chaloupe, saloup(e), saloep e.d. nog tot in de 18e eeuw volop voorkomen.
De sloep was een boot die meestal op het dek van een groter schip werd meegevoerd en waarmee men gemakkelijk tot in ondiep water kon komen, bijv. om aan land te gaan, of tijdens een reddingsactie. Er zijn echter ook zelfstandige, relatief kleine scheepstypen die sloep genoemd worden, bijv. voor de visserij en tegenwoordig voor de pleziervaart.
Het Franse woord is in vele andere Europese talen overgenomen, bijv. als Engels shallop, Duits Schaluppe, Italiaans scialuppa, Tsjechisch šalupa. De Nederlandse vorm sloep is eveneens door andere talen ontleend, bijv. als Engels sloop, en verder, eventueel via het Engels, als Duits Slup, Frans sloop (een terugleenwoord dus), IJslands slúppa, Russisch šljup, Fins sluuppi. In het Engels, Frans en Duits bestaan dus dubbelvormen, die in de praktijk verschillende scheepstypen aanduiden.
De vervanging van Frans ch- /š/ door Nederlands s- is karakteristiek voor leenwoorden uit de 15e en 16e eeuw, zie bijv. nog → zeem 1 (met vnnl. s- > nnl. z- vóór klinker). Deze Franse klank gaat veelal terug op ouder /k/, die in Noord-Franse dialecten nog lang behouden bleef en in oudere ontleningen dan ook meestal verschijnt als k-, bijv. in → kandelaar, → klant en → kous. In jongere leenwoorden blijft de Franse klank meestal onveranderd, bijv. in → sjanker, → sjees, → sjalot, maar zie → scharnier.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sloep [vaartuig] {1588} volgens één opvatting uit het wat vroeger geattesteerde frans chaloupe, dat van een dial. chalope [notendop] kan komen, volgens een andere opinie van germ., waarschijnlijk nd. herkomst is en behoort bij slupen, nederlands sluipen, dus: een bootje dat voortglijdt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sloep znw. v., sedert Kiliaen, vgl. nnd. slūp(e). Uit het nnl. zijn ontleend ne. sloop, fra. chaloupe (reeds 1554 saloupe voor een ndl. schip), ital. scialuppa, spa. chalupa; uit het nnd.: nde. nzw. slup. — Men verbindt het woord met sluipen; dan misschien eigenlijk neder-duits? Hier heet het ww. slūpen. Bij een zo laat optredend woord kan van een relict-oe in het nnl. geen sprake zijn. — > ne. sloop (sedert 1629, vgl. Bense 406).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sloep znw., sedert Kil. Fr. saloupe (Vlaanderen) komt al 1554 voor voor een ndl. schip. = ndd. slûp(e). Ontleend zijn de., zw. slup, eng. sloop, fr. chaloupe (> du. schaluppe v., eng. shallop) “sloep”. Wsch. met dial. oe < germ. û (vgl. poes I) bij sluipen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sloep v., uit Ndd. slûpe, bij sluipen. Uit Ndl.. Zw. en De. slup, Eng. sloop en Fr. chaloupe, van waar Hgd. schaluppe en Eng. shallop.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sloep ‘vaartuig’ -> Engels shallop, shalloop ‘(oorlogs)schip; kleine boot’ ; Engels sloop ‘sloepgetuigde zeilboot; klein oorlogsschip; barkas’; Engels chaloupe ‘vaartuig’ ; Duits Schaluppe ‘klein bootje’ ; Duits Sloop, Slup ‘jacht met één mast met groot- en voorzeil’ ; Deens slup ‘vaartuig’; Deens chalup ‘vaartuig’ ; Noors slupp, sjalupp ‘vaartuig’; Zweeds slup ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); IJslands slúppa ‘vaartuig’; Fins (s)luupi ‘vaartuig; reddingsboot; roeiboot met hulpzeil’ ; Ests luup ‘vaartuig’ ; Frans sloop ‘klein zeilbootje met één mast’; Frans chaloupe ‘vaartuig’; Italiaans scialuppa ‘vaartuig’ ; Italiaans sloop ‘(vroeger) zeilschip; klein oorlogsschip, corvet; plezierzeilboot met één mast’ ; Spaans chalupa ‘vaartuig’ ; Portugees chalupa ‘vaartuig’ ; Baskisch txalupa ‘vaartuig’ ; Bretons skloup ‘vaartuig’ ; Pools slup, szalupa ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Engels); Kroatisch šalupa ‘vaartuig, vissersboot, oorlogsschip, rivierboot’ ; Kroatisch slup ‘vaartuig met hoge mast, het wijdst verbreide type wedstrijdzeilboot ter wereld’; Macedonisch šalupa ‘vaartuig’ ; Servisch šlupka ‘vaartuig met zes tot acht roeiers, voor het vervoer van mensen en goederen’; Sloveens šalupa ‘grote boot met één zeil of met roeispanen’ ; Sloveens slup, šlupka ‘zeilschip voor goederenvervoer of sport, jacht met één zeil’ ; Russisch šljup, sljupka ‘(verouderd) oorlogs- of kanonnensloep, driemastig oorlogsschip met circa 30 kanonnen; algemene benaming van ieder roeivaartuig’; Bulgaars šljupka ‘vaartuig’ ; Oekraïens šljup ‘oorlogs- of kanonnensloep, driemastig oorlogsschip met circa dertig kanonnen’ ; Wit-Russisch šljúpka ‘algemene benaming van ieder roeivaartuig’ ; Azeri šljupka ‘licht zeevaartuig’ ; Litouws šliupas ‘vaartuig’; Maltees xaluppa ‘licht vaartuig’ ; Esperanto ŝalupo ‘bootje voor algemene werkzaamheden in havens en op rivieren’ ; Esperanto slupo ‘eenmaster zonder boegspriet’ ; Indonesisch selup, sulup ‘vaartuig’; Atjehnees sulōb ‘licht zeevaartuig’; Javaans selup ‘vaartuig’; Letinees slupa ‘zeilboot’; Makassaars † sôlló ‘vaartuig’; Singalees suluppuva ‘vaartuig’; Berbice-Nederlands slup ‘vaartuig’; Sranantongo srupu (ouder: sloepoe) ‘vaartuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sloep vaartuig 1588 [Claes] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut