Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slippen - (wegglijden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slippen ww. ‘wegglijden’
Mnl. alleen het frequentatief slipperen ‘uitglijden, glibberen’ in wanneer ... de sciphere ... de benninghe slippern lete ‘als de schipper het anker laat wegglijden’ [eind 14e eeuw; MNW]; vnnl. Dat peert slipperde ‘het paard gleed uit (op het ijs)’ [1530; MNW], dan slippen ‘wegglijden’ [1588; Kil.], Uyt mijn hert sal ick slippen tot geene stonden ... Het gedencken van ... ‘de herinnering aan een lieflijke verwelkoming zal ik nimmer uit mijn hart laten wegglijden’ [ca. 1600; iWNT], 't Verloop van mijn slippende jaeren ‘... wegglijdende jaren’ [1605; iWNT]; nnl. slippen ‘wegglijden van een voertuig op wielen’ in Daar het voorwiel bij het remmen sterker op den grond wordt gedrukt en dus minder licht slipt [1911; iWNT].
Intensiefvorming bij de stam van het werkwoord → slijpen in de oorspr. betekenis ‘glijden’.
Mnd. slippen; ohd. slipfen; me. slippen (ne. slip, zie → slip 2); alle ‘wegglijden’. Het Engelse woord is mogelijk ontleend aan het Middelnederduits.
Het woord was aan het eind van de 19e eeuw al min of meer verouderd. In die periode is het woord wrsch. o.i.v. het Engels nieuw leven ingeblazen (Van der Sijs 2005, 44).
slippertje zn. ‘kortstondig overspel’. Vnnl. een slipper(t) maken ‘voor korte tijd er tussenuit knijpen’ in Als de man een slippert maakt, en gij als luitenant voor hem instaat ‘... invalt’ [1678; iWNT]; nnl. heimelyk een slippertje ... maaken ‘stiekem weggaan’ [1720; iWNT], een slipper maken ‘zich stil uit een gezelschap verwijderen; een klein plezierreisje maken’ [1924; Van Dale], een slipper(tje) maken “... in 't bijz. van een getrouwde man gezegd die het aanlegt met een andere vrouw” [1976; Van Dale]. Afleiding van slipperen, dat i.t.t. slippen langer levend is gebleven, zowel als ‘gijden’ (b.v. op het ijs) als ‘stiekem wegsluipen’. In de oudere attestaties is meestal sprake van heimelijke of door anderen ongewenste afwezigheid, maar de specifieke betekenis ‘kortstondig overspel’ verschijnt pas in de tweede helft van de 20e eeuw. ♦ sliptong zn. ‘kleine zeetong’. Nnl. sliptong [1992; Van Dale]. Samenstelling van slippen en de visnaam → tong. Een sliptong is zo klein dat hij gemakkelijk door de mazen van het net slipt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slippen* [wegglijden] {1599} intensivum van slijpen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slippen ww., mnl. slippen ‘uitglijden, slippen’, ook slipperen, vgl. mnd. slippen, ohd. slipfen, me. slippen (ne. slip) is intensief-formatie bij slijpen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slippen ww., reeds mnl. blijkens later-mnl., oudnnl. slipperen “(uit)glijden”. = ohd. slipfen, mnd., meng. slippen (eng. to slip) “id.”. Bij slijpen. Zie ook glippen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slippen ono.w., + Eng. to slip, On. sleppa: intens. van slijpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3slip ww. (minder gebruiklik)
Glip, gly.
Uit Ndl. slippen (al Mnl.) of dalk Eng. slip (1530).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

slippen (Engels to slip)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slippen ‘wegglijden’ -> Engels slip ‘ontsnappen; sluipen; (weg)glijden; vergeten; zich verspreken; ongemerkt voorbijgaan (van tijd); over het hoofd zien; zich vergissen; aan- of uittrekken; loslaten’; Schots † slipe ‘bewegen in een hellende richting, zijdelings vallen’; Indonesisch selip ‘iets duns ergens in of onder doen glijden (een mes in een spleet, een stuk papier in een boek); ergens inglijden; uitglijden’; Jakartaans-Maleis selip ‘wegglijden’; Javaans selip ‘wegglijden’; Kupang-Maleis salép, slep ‘uitglijden’; Makassaars selế ‘slippend (auto, voeten, voetballer)’; Menadonees slèp ‘uit de hand schieten (een voorwerp), uitglijden’; Papiaments slep (ouder: slip) ‘wegglijden, uitglijden’; Surinaams-Javaans slip ‘wegglijden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slippen* wegglijden 1588 [Claes Tw. 12]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut