Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

slip - (split, afhangend deel van een kledingstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

slip 1 zn. ‘afhangend deel van een kledingstuk’
Mnl. sleppe, slippe ‘afhangend deel van een kledingstuk’ in ende warp sijne sleppen uppe ‘en gooide zijn slippen omhoog’ [1342; MNW], Met sire sleppen drogedi sinen hont ‘met zijn slippen droogde hij zijn hond af’ [1340-60; MNW-R], Bi der sleppen hine geprant ‘hij pakte hem bij de slippen’ [1340-60; MNW-R], Ende hi raepter op haer slippen ‘en hij trok de slippen van haar kleding weg’ [1410-20; MNW-R], slyp ‘spleet’ [1477; Teuth.].
Herkomst onduidelijk. De betekenis ‘spleet (in een kledingstuk)’ en ‘afhangend deel van een kledingstuk, pand’ kunnen gemakkelijk uit elkaar zijn ontstaan. Wrsch. is eerstgenoemde het oudste, gezien de afleiding slippen ‘splijten’, zoals in 1 vael paerd met gheslipten nesen ‘een vaal paard met gespleten neus’ [1343-44; MNW splitten I].
Mnd. slippe ‘spleet, slip’. Het woord kan worden teruggevoerd tot pgm. *slippōn- < pie. *slipnó- en dan verbonden worden met oe. (tō-)slīfan ‘splijten’ (ne. dial. slive) < pie. *sleip-, maar verwante woorden ontbreken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

slip1* [split, afhangend deel van een kledingstuk] {slippe, sleppe 1342} bij slijpen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

slip znw. v., mnl. slippe, sleppe v., mnd. slippe v. m. ‘slip, pand’, vgl. laat-mnl. mnd. slippen ‘splijten, stuk maken’. Het woord heeft een expressieve -pp- en kan dus behoren bij oe. tō-slīfan ‘splijten’ (ne. slive), dat men kan terugvoeren op idg. *skleip, een afl. van *sklei, waarvoor zie: slijten. — Verder behoren nog daartoe nnl. dial. (overijs. achterh.) sleef ‘houten lepel’ = Kiliaen sleef (Sax. Fris.) ‘pollepel’, mnd. slēf m. ‘houten pollepel’, nnoorw. sleiv, nde. slev, sløv, nzw. slef ‘houten scheplepel’. — > ne. slip ‘slip van gewaad; landstrook’ (sedert ±1440, vgl. Bense 399).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

slip znw., mnl. slippe, sleppe v. = mnd. slippe v. (m.) “slip, pand”, Sluit zich evenals laat-mnl., mnd. slippen “splijten, stuk maken” veeleer bij ags. tô-slîfan “splijten” dan bij slijpen aan: pp gaat dan op idg. pn terug. Germ. slîf- kan idg. *sqleip- zijn, een verlenging van sqel- “snijden” (zie schel I). Voor sql- > sl- zie slijten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

slip. Over pp < idg. pn zie bakken Suppl. 1e alin. Bij ags. tô-slîfan ‘splijten’ behoort wsch. met ablaut Kil. sleef Sax. Fris. j. pot-lepel (nog in Overijsel en Achterh. = ‘houten lepel’) = mnd. slêf m. ‘potlepel, meest van hout’, de. zw. slev (de. ook sløv), noorw. sleiv ‘id.’. Voor de bet. vgl. woorden voor ‘lepel’ bij spaan genoemd en on. skeið v. lepel’ dat met scheiden verwant is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

slip v., + Hgd. schliff: van denz. stam als ʼt meerv. imp. van * slijven: z. sleef.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1slip s.nw.
1. Afhangende punt of end van iets, bv. 'n das. 2. Spleet of opening, bv. in 'n rok.
In bet. 1 uit Ndl. slip (Mnl. slippe, sleppe). In bet. 2 uit Ndl., gewestelik in die suide in die vorm slip (Mnl. slippe, sleppe). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
Eng. slit (1250 in bet. 2).

2slip s.nw.
Snit in skape en beeste se ore om hulle te merk.
Uit Ndl. slip (1855, 1599 reeds as ww. slippen) (Scholtz 1965: 194). Eerste optekeninge in vroeë Afr. op 5 Julie 1717 (Scholtz 1972: 164) en by Trichardt (1836 - 1838) (Scholtz 1965: 194).
Eng. slit (1250).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

slip: bep. oormerk v. skaap, by Trig slippie; Scho TWK/NR 7, 2, p. 27 wys daarop dat d. wd. al by Kil voorkom en in die 2e helfte v. d. 19e eeu nog i. d. oostelike dial. v. Ndl. bek. was.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Slip, eig. het slepende deel van een kleed, zie Slijpen. Slippen is intensief van slijpen = glijden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

slip ‘afhangend deel van een kledingstuk’ -> Engels slip ‘afhangend deel van een kledingstuk; strook(je); stekje, ent; klein persoon’; Esperanto slipo ‘kaartje, fiche, systeemkaart’ ; Papiaments † slip ‘afhangend deel van een kledingstuk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

slip* afhangend deel van een kledingstuk 1342 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut